Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Melanchton; I, 154 — zijn afwijking van Luther en synergisme, 1 154, II 365 v., III 591 — over boete en bekeering, III 597 v., IV 50 N. 4 — de rechtvaardigmaking, IV 205 N. 3, 206,217 — als ethicus, IV 260.

Ménégoz-, I 195, IV, llOv. — over de verzoening van Christus, III 393 v., 429 N. 3 — vgl. ook Symbolofideisme.

Menken; over de heiligheid Gods, II 212.

Metchnikoff, E.; over den dood, III 191 N. 1.

Milligan, W.; over het priesterschap van Christus, III 542 v.

Milton; over den Zoon en den Geest, II 296.

Moberly, R. C.; over de verzoening van Christus, berouw en vergeving, III 392 v. 409 N. 1, 421, 446 N. 6, IV 166 v.

Möhler-, over de traditie, I 515.

Molina; I 146, 147; II 364, 111583,663. vgl. ook Molinisten.

Moody; als prediker, IV 164.

Muller, Max; over den oorsprong der religie, I 279.

Muller, Julius; I 551 ; zijn leer van de praeëxistentie en oorsprong der zonde, III 58.

Musculus; over het avondmaal voor kinderen, IV 641 v.

N.

Nestorius; over Christus, I 120; III 326 v., 333, 345.

Nietzsche; over Paulus, I 106 — het goede, II 204 v. — als antinomist, III 604, IV 278.

Nitzsch, F. A. B.\ over de eigenschappen Gods, II 102.

O.

Occam, W. van; I 140, II 238.

Oettinger, C. F.; als dogmaticus, I 44 v. — over de wedergeboorte, IV 39.

Oettingen, A. von; zijn Luthersche Dogmatiek, I 164 v., III 566 — over het begrip van het Absolute II 99 — den doop, IV 559 N. 2.

Oosterzee, van; als dogmaticus, I 544.

Opzoomer; I 191.

Origenes; I 83, 116 v. — over Gods voorwetenschap en 's menschen vrijheid, II 189 v., vgl. III 574 — de Drieëenheid en zijn Subordinatianisme, II 288 v. — de eeuwigheid der wereld, II 450 — de oorspronkelijke gelijkheid aller schepselen, II 486 — de beschermengelen, II 491 — den praeëxistenten val, II 608, III 57 — Christus' menschheid, III 328 — het universeele van Christus' verdiensten, III 515 — het vagevuur, IV 669 —de wederherstelling aller dingen, IV 787 v., 792 v.

Os, Ant. van den-, III 608.

Osiander; over Christus' werk en onze rechtvaardiging, III 375, 397 — over het archetype van het beeld Gods in ons, II 595, 602.

Osterwald ; I 189.

Overbeck; Zijn scheiding van wetenschap en religie, I 30, 544.

Owen; I 185.

P.

Pajon, Claude-, I 185, IV 12.

Parsimonius; Zie Karg.

Pascal BI.; als apologeet, I 574.

Paschasius Radbertus; I 136.

Paulus van Samosate-, I 118.

Pelagius; over zonde en genade, II 356 v.( 389, III 20 v., 71 v„ 575 v. — over den oorspronkelijken staat des menschen, II 570 v. — vgl. verder Pelagianisme.

Penn; I 186.

Sluiten