Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Saussaye, de la; zijn Theologie, I 269 — over het gezag in de religie, 1 488, het werk van Christus, III 388.

Schelling-, zijn invloed op de Theologie in zijn 2e periode, I 162 v., 266 v., II 230 v. — zijn philosophie in de le periode, 1215 — over de religie en openbaring, I 261, 300 — God, II 96, 300 v., 430 — de menschwording, III 274, — zijn philosophie in de 2e periode, I 266 v. II 229 v. — de Drieëenheid (de drie Potenzen in God) het ontstaan der wereld en der zonde, II 339 v., 430 v., 433, 447, III 33, 180 v., 277 v. — de engelen, II 467 v. — zijn polygenisme, II 559, — Christus en de verlossing, III 277, 382, 625 v.

Scherer, E.; I 194.

Schian; over de dogmatiek, I 63.

Schleiermacher; over de dogmata, 112 — de dogmatiek, I 12, 28 v., 47 — zijn Theologie en hare afhankelijkheid van de philosophie, I 12, 28 v., 38, 97, 160 v., 551 v., 578, IV 37 v. — zijn invloed op de Theologie, I 12, 29 v., 161, 496 v., 557 v., III 275 v., 631 v. — over de encyclopaedische plaats der Dogmatiek, I 27 v., 77, 554 — de religie, I 245, 273 v. — openbaringen Schrift, I 28, 298 v., 439 v., 496 — de Ethiek en hare verhouding tot de Dogmatiek, I 267 — de dynamische inspiratie, I 439 v. — de niet-noodzakelijkheid der Schrift en de verhouding van Schrift en Kerk, I 496 v. — zijn verwantschap met Rome, I 497 — als bestrijder van het Rationalisme, I 552 v. — over de onkenbaarheid Gods, enz., II 18, 88, 96 — zijn subjectieve opvatting van de eigenschappen Gods, II, 109, 117v. — over de Drieëenheid, II 300 — verkiezing en verwerping, II 381 — de schepping, II 431 — de engelen, II 467 — het Jodendom in zijn verhouding tot het Christendom, III 219 — Christus en onze verlossing door Hem, III 275 v., 384 v., 420, 511, 631 v., IV 37 v„ 108, 207 — de wedergeboorte, IV 37 v. — de Kerk, IV 318 v., 332 v. — de verhouding van Protestantisme en Romanisme, IV 356 — de sacramenten, IV 513 — het avondmaal, IV 613 — de onsterfelijkheid der ziel, IV 650.

Schnedermann ; als dogmaticus. I 164.

Scholten-, I 47, 99, 191 v., 550.

Schopenhauer; Zijn philosophie, II 231. over de zonde en de verlossing, III 620 v. Zie ook Pessimisme.

Schultens, J. ].; III 609.

Schultz ; over de heiligheid Gods, II 212.

Schuts, Jac.; over het geloof, IV 107, N1.

Schwally; over de doodenvereering in Israël, IV 656 v.

Schwartzkopff; over Gods liefde en heiligheid in verhouding tot elkander, III 405 N 2.

Schweizer, Alex; zijn vereenzelviging van de Theol. naturalis met het foedus operum, I 99.

Scotus, Joh. Duns; Zie bij Duns.

Sécrétan, Ch.; over den wil in God, II 238.

Seeberg, Reinhold; I 164 v., 567 v.

Servet; over de Drieëenheid, 11 299.

Shedd; I 203 — zijn realisme in de leer van de erfzonde, II 633, III 91 v. en van Christus, III 452 v. —ovei de efficacia der roeping, IV 12.

Sherlock, Th.; over de Drieëenheid, II 298.

Sibelius; over de generatie des Zoons,

II 298.

Silvester; Russisch dogmaticus I 125.

Smith, H. B.; als dogmaticus, I 204.

Smith, Robert Pearsal; als prediker in de Oxford-beweging, IV 264.

Socrates; over de zonde en de deugd,

III 18.

Sohm, R.; over de macht der Kerk,

IV 444 v.

Spencer, Herb.; over de aangeboren ideeën, II 37. Zie ook Agnosticisme.

Spener; I 156 III 611 v. zie ook Piëtisme.

Spinoza, B; I 215, III 616 v. — over de religie enz., I 260, 265 — de openbaring, I 378 — God, II 21 v. 95 v. 109, 149, 156, 174, 183 v. — God en de wereld, II 430 — de bekeering en den weg des heils, III 616 v. IV 162 — de onsterfelijkheid der ziel, IV 649.

Stade; over de zonde in het Oude Testament, III 125 v. 149.

Stancarus; over het middelaarschap van Christus, III 376, 397 v.

Stead, W.; I 199.

Sluiten