Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Causaliteiisprincipe; I 221.

Causa sui; van God gebruikt, II 144 v. 232.

Causae secundae; zie Tweede oorzaken.

Cesareopapisme; IV 479.

Chaldeeuwsche Genesis; II 428 v. 501 v.

Charakter, indelebilis der sacramenten volgens Rome, IV 531.

Charismata. Zie Gaven.

Cherubijnen; II 473 v.

Chiliasme-, zie Duizendjarig rijk.

Chokma-, onder Israël, II 196 v.

Christendom-, wezen, I, 62, 103 —wezen volgens Harnack, I 106111,282 v. — zijne verhouding tot en strijd ' met het Heidendom in de eerste tijden, I 111 v. — zijn overeenkomst met en verschil van het Heidendom, 'I 332, 339 v. 358 v., III 248 — volgens de nieuwe religionsgeschichtliche methode, 1170. : II 502, III 284, IV 17 — als vervulling van Israels religie, I 415 v. — als hoogste en zuiverste religie bij Ritschl I 580 — als historische religie, I 640 v. — volgens Rome II 586 v., IV 195 — en natuurwetenschap, II, 659 v. — in de geloofsverdeeldheid, IV 349 — als wereldgodsdienst, IV, 351 v.

— in zijn verhouding tot het natuurlijke leven, IV 430 v., 447 — ondogmatisch, I 9, 649 v.

Christenen-, Naam IV 411.

Christian Science-, III, 41 N. 1, 654 N. 1, IV 164.

Christologie, Moderne-, III 273 v.

Christologische indeeling der dogmatiek, I 100 v.

Christus; als laatste en hoogste en volkomene openbaring Gods, I 342, 360 v. 522 v. — als Hoogste Profeet, I 349, 416 v. zie verder profetisch ambt van Christus — zijn wonderen, I 353, III 364 —als het Woord Gods, de Logos, I 422 — in de Moderne Theologie, I 303,600 v., III 273 v. — inwoning Gods in Hem, II 161 — geen causaelectionis, II420 v.

— als object van praedestinatie en electie, II 423 — zijn betrekking tot de engelen, II 488 — en Adam, zie Adam; en de wet, III 131 — in het Christendom, III 304 — als zone Davids, III 311, 316 v. —en Paulus III 281 v., 289 — tegen¬

over het Oude Testament, I412v. — III, 341 — beteekenis van den naam, III 400 — in de geloovigen, IV 75 — of Hij zondaar mag heeten, IV 225 — als Koning der Kerk, IV 355, — Zie voorts verschillende onderwerpen, als Naturen, Ambten enz.

Chronologie, Hebreeuwsche; II 520, 541, 557, vgl. N. 4;

Clerus en leeken-, IV 381, 389 v., 420.

Coadamitisme-, II 558 v.

Coccejanisme-, I 183. Zie ook Coccejus.

Communicatio apotelesmatum bij Christus ; III 335 v., 398.

Communicatio charismatum bij Christus; III, 269 v., 335, 476 v.

Communicatio idiomatum bij Christus;

III 335 v.

Communisme-, II 621.

Concessionisme in betrekking tot de Heilige Schrift; I 432 v., 474 v.

Conciliën volgens de Roomsche Kerk,

IV 386 v., 472 — naar de Reformatie, IV 473 v.

Concilie van Nicea; Beteekenis daarvan, II 289.

Concilie van Trente-, I 143 v. — over de macht van paus en bisschoppen, IV 439.

Concordistische theorie tot verzoening van Schrift en natuurwetenschap, II 524 v.; 531.

Concupiscentia-, zie Begeerlijkheid.

Concursus; zie Medewerking.

Conditioneele onsterfelijkheid-, IV 788. 791 v., of zij geleerd wordt door de kerkvaders, IV 649.

Confessie-, zie Belijdenis.

Confucianisme-, III 18.

Congruisten ; III 583, 605, 663, IV 12 v.

Consensus Helveticus, I 189.

Consilia evangelica ; zie Raadgevingen.

Contritio en attritio-, onderscheiding van deze bij Rome, IV 144, N. 1, 167 v.

Creationisme-, II 625 v.

Critiek der Heilige Schrift, I 437 v., 446 v., 458, 471 v.

Cruces in de Heilige Schrift, I 468 v.

Sluiten