Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— niet in strijd met de eenvoudigGods, II 171 — als onderstelling der vleeschwording, III291 v. — in de heilsorde, III 655 v.

Droefheid over de zonde als stuk der bekeering, IV 164 v.

Droomen als openbaringsmiddel, I 344 v.

Dualisme tusschen geest en stof, God en wereld, II 30 v. 82, 429, 446 III 321 v.

Duidelijkheid der Heilige Schrift, I 504 v.

— beteekenis van dit Protestantsche principe, I 509.

Duitschland; Gesch. der Geref. Theologie in, I 176 v. 192 v.

Duivelen; III 144 v. — of zij verlost kunnen worden, III 147 v. — hun overwinning dOor Christus III 547 v.

— Zie ook Satan, val der engelen enz.

Duizendjarig rijk; IV 726 v.

Dynamische inspiratie; I 439 v. 453, 462.

E.

Ebionitisme over Christus, III 266, 374 — over de toekomst, IV 667.

als naam Gods, II 125.

n » » II 126.

-w V „ „ „II 127 V.

„ „ „ II 126.

Eenheid, van God; II 162 v. — van het menschelijk geslacht, II 558 v. — geestelijke, der menschen, hoe ze alleen te bereiken is, I 308 v. — der Kerk, IV 348 v. — van Rome, wat er van te denken, I 509 v. —

Eenvoudigheid Gods-, II 100v., 111 v., 166 v.

Eere Gods als doel der schepping, II 457 v., 464.

Eeuw, achttiende-, kenmerk, II 648, III 73.

Eeuw, negentiende ; omkeering van het geestesleven tegen het einde, II 548 v„ III 25, 103.

Eeuwige dood; IV 791 v.

Eeuwige staat der redel. schepselen, II 401, 405.

Eeuwige stof-, wat er van te denken, II 439, 440.

Eeuwigheid Gods ; II 148 v., 452.

Eeuwigheid en tijd-, II 151 v., 451, 453.

Eeuwig Leven, het; IV 790 v., 804; door Adam in den staat der rechtheid nog te verwerven, II 606 v.,

Eigenschappen Gods-, niet te onderscheiden van Zijn wezen, II 100 v., 166 v. — nu en dan zelfstandig gemaakt tegenover Gods wezen, II 100 v. — waarom niet objectief te onderscheiden, II 102 — of er nog meerdere zijn dan in schepping en herschepping geopenbaard zijn, II 104; — kunnen niet allen opgenomen worden in een descriptie Gods, II 105 — onderscheiding in de II, 108 v., 170 — indeeling van de, II 113 v. — positieve en negatieve, II 116 — mededeelbare en onmededeelbare, II 116v. — quiescente en operatieve, II 117, — bezwaren tegen elke indeeling, II 119 v.

Eigenschappen; qualitatieve en quantitatieve, der lichamen, I 216 v.

Eigenschappen; der Heilige Schrift, I 476 v.

Ekklesia; in de Schrift, IV 299, 319 v., 428. Zie voorts Kerk.

Elenctiek; I 36.

Emanatie en creatie; II 440 v., 454.

Emmanuel Movement; IV 164 N. 2.

Empirisme, in wetenschap en wijsbegeerte, I 219 v., II 45 v.

Engel des Heeren, in het Oude Testament, I 341 v., II 262 v.

Engel der gemeente, in de Openbaring,

II 494, IV 373, 379, 391.

Engeland; Geschiedenis der Theologie in 1 178 v., 185 v., 189 v., 196 v.,

III 522, 605 v., 610.

Engelen; als boodschappers Gods, I 341, II 489 v. — als heirscharen Gods, II 134 — hun zaligheid en verderf, II 419 v. — leer van de, niet ontleend aan het Parzisme, II 466 — hun bestaan, II 466 v — gedacht als bewoners der sterren, II 468 — geen factoren van het religieuze leven of voorwerpen van aanbidding, II 473, 498 — hun naam, II 473 — verschillende klassen en rangorde, II 473, 475 v. 484. — getal, II 475, 477 — als geschapen wezens, II 478 v. — tijd

Sluiten