Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hunner schepping, II 478 — als geestelijke wezens, II 479 v. — hun verhouding tot tijd en ruimte, II 482 — als redelijke wezens, II 482 v. — het gebed tot hen, II 483, 497 v. — hun taal, II 484, 490

— als zedelijke wezens, II 484 — in het goede bevestigd, II 4^5 — overeenkomst met en onderscheid van de menschen, II 485 v. 487 v. 598 III 53, 146 v. — of zij beeld Gods zijn, II 486 — hun relatie tot Christus, II 488; tot de Kerk, II 488, 489 — hun diensten werk, II 489 v. — hun werk in verband tot de heilshistorie, II 489, 498 — hun voorbede, II 492 v. — hun vereering en aanbidding, II 495 v. de burgerlijke eere, die hun toekomt, II 499 — hun beteekenis voor het religieuze leven, II498 v.

— of zij leden der Kerk zijn,' IV 325 — in het laatste oordeel, IV 781 v.

Entropie; als bewijs voor het einde en begin der wereld, IV 713 N 1.

Episkopaat-, Ontstaan er van in de Christelijke Kerk en invloed, I 43, IV 377 v., 391 v. — in de Roomsche Kerk, IV 420.

Episkopale stelsel van Kerkregeering, IV 381.

Episkopoi en presbyteri; IV 369 v. 392 v.

Erfelijkheid-, Zie Overerving.

Erf schuld-, III 90 v. 101.

Erfsmet; zie Verdorvenheid.

Erfzonde-, III 86, 115, opvatting er van in de Christelijke Kerk, III 71 v. in semi-pelag. zin, III 77 v.; bij Rome, II 583, III 83 v.; bij Luther en de Lutherschen, III 87, 115; in den nieuwen tijd, III 89; en dadelijke zonden, III 178.

Erkenntnisstheorie; Zie Kenleer.

Ervaring -, als bewijs voor de waarheid der openbaring, I 568 v. 594 — getuigt, dat de zaligheid geheel Gods werk is, II 391.

Esseën; over den toestand na den dood, IV 663.

Ethiek; in verhouding tot de Dogmatiek, I 38 v. — in de Luth. en Geref. Theologie, IV 260 v. — in de nieuwere Theologie, IV 261 v.

Ethisch beginsel in de nieuwere Theologie, I 268.

Ethische godsdiensten -, I 291.

Ethische Modernen-, I 335, 578, 598, II 97, 649.

Ethisch-psychologische methode tot bewijs van de waarheid der openbaring; I 572 v.

Eucharistie-, zie Avondmaal.

Eudaemonistische Moraal-, II 204.

Evangelie en Wet-, IV 491 v.

Evangelieprediking; algemeen aanbod, II 394; III, 528. IV 4 v. — ook na den dood? IV 674, 693 v., 786 v.

Evangelisten als helpers der apostelen, IV 362 v.

Evolutieleer; over den oorsprong der religie, I 288 v., 327 v. — en paIaeontologie, II 538 v. — haar historie en leer, II 545 v., 571 v., 624, 629, III 12, 15 v. — over ontstaan van het zedelijk leven, zonde, val, III 24 v., 58 v., 102 vgl. III 28 v. — zonde en misdaad, III 163 v. — de toekomst, IV 714.

Examinatie voor het ambt in de kerk, IV 416 v.

Extase, profetische; I 346.

Extra ecclesiam nulla salus; IV 336 v.

F.

Facultas se ipsam interpretandi, I 510.

Farizeën; III 556, over den toestand na den dood, IV 663.

Fatum; zie Noodlot.

Feit en woord in de openbaring, I 349, 361, 382, 404, 640 v.

Feiten in het Christendom, beteekenis;

I 641.

Fides carbonaria bij Rome; I 656,657.

Fides implicita bij Rome; I 656; verwerping daarvan door de Reformatie, I 658.

Filioque -, I 135 v., II 325 v.

Foederalisme; III 93 v.

Formula Concordiae -, I 155; over de natuurlijke openbaring, I 314 v.; — praedestinatie en wilsvrijheid,

II 366; III 591 v.

Sluiten