Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gezag; als noodzakelijke factor van het religieus-ethische leven, I 444

— wat het woord uitdrukt, 1 489 v.

— in huisgezin, staat en maatschappij, I 490 — in wetenschap en kunst, 1 490 v. — in religie en ; theologie I 491 ,v. — der Heilige Schrift, I 480 v., vgl. 492, 533 — j historiae et normae, 1 475, 485 v., II 514 — quoad se en quoad nos, | I 481, 483 — wijziging in de opvatting van den aarden den grond daarvan in de N. Theologie, 1 486 v.

— opgevat als zedelijk, I 488 v., j 491 _ Goddelijk, als noodzakelijke eisch van het Christelijke geloof en de Christelijke prediking,

1 487 v.

Giessensche theologen over de exinanitio Christi, 111 271 v., 483.

Glossolalie ; III 566 v., IV 161 v.

Gnesio-lutheranen; I 155.

Gnosticisme; I 112, III 213 — als eenzijdige verheerlijking van de gnosis en invloed daarvan in philos. en theol., I 260v. — over de Heilige Schrift, Oude en Nieuwe Testa- j ment, 1493 v., II 225, III 213v. 404 — zijn scheiding tusschen God en wereld. II 9v.. 84 — over Goden

de aeonen in verband tot Hem, II 100 — en Arianisme, II 441 — , over het ontstaan der wereld, en den val, III 32, 40 — Christus, III 266, 374 — Christus' menschheid, III 318, 321 — de wedergeboorte, IV 52 v. — de Kerk, IV 303 — over den toestand na den dood, IV 667.

God; voorwerp der Dogmatiek, I 11 — als principium der wetenschap, I 235 v. — als principium essendi der Theologie, I 210en der religie, I 287 — Zijn verhouding tot de

„ „1 1 I AK.C II 1 A1 AACÏat

SLIICpbClCU, 1 11 ltl v., -MV7 V.,

644 v., 655 v. — hoe van Hem een descriptie te geven, II 104 v. — de ! naam, II 125 — opgevat in de pantheïstische philosophie als de wordende II 144, 145 v., 146 v. — als causa sui, II 144,145 v. — Hij is de Zijnde, II 145 v., 147, de Rotssteen, II 145 — als het hoogste Goed, II 206 v. — als Koning, II 248 v., 637, 664 v. — als aanduiding van den eersten Persoon, II 275 — als naam van Christus, II 279 — geen oorzaak der zonde, III 2 — Zie ook Godsidee en verschillende afzonderlijk opgegeven onderwerpen.

Godheid van Christus; strijd daarover

in de 4e eeuw, I 119 v. — in de leer der Apostol. vaders, II 283 — in de Theologie der Apologeten enz., II 284 v. — in het Arianisme, Socinianisme, Rationalisme en Modernisme, II 296 v. — naar Ritschl's opvatting, III 304 v., 323 v. — volgens de Heilige Schrift, III 302 v.

— in hoeverre zij in de vernedering en verhooging heeft gedeeld, III 484, 488.

Godsdienst; zie Religie.

Godsdienstige aanleg van den mensch, I 528 v., 533.

Godsdienst van Israël; volgens de Nieuwere Theologie, II 3v.

Godsdienstlooze volken; II 31, 69.

Godsdienststichters, I 330 v., 332.

Godsdienstwetenschap in den nieuweren tijd, I 13, 15, 30 v., 249 v., 327 v.

— in vroegere dagen, I 330 — scheiding tusschen haar en Theol. I 31 v.

Godsidee in Theologie en Philosophie,

II 93 v., 102 v., lUbv., ioy v. — onderscheid hierin tusschen beide,

II 103, 106, 149, 169.

Goed ; II 204 v.; hoogste II 206 v.

Goedertierenheid Gods; II 208.

Goede werken; hun verdienstelijkheid bij Rome, II 576, 582, 615 — en deugden III 118; IV 276 — hun noodzakelijkheid, IV 273 v. — hun natuur, IV 276 v.

Goedheid Gods; II 204v. — als volmaaktheid, II 205 v.. — als motief der schepping, II 455 v.

Goedheid natuurlijke, van den mensch,

III 73 v.

Gottschalksche strijd; II, 360 v.; III 517.

Gouden eeuw; traditiën daarover, II 566 v.

Gratie, recht van; III 410.

Gratia praeparans; IV 9 v. — irresistibilis, zie Onweerstandelijkheid.

Grieksche kerk en Theologie; I 124v., 127, II 327 — in Rusland, IV 434 — over den mensch, II 599 — zonde en genade, II 356, III 77 — het vagevuur, IV 669 — vgl. verder Oostersche kerk en Theologie.

Grieksche Philosophie; haar invloed op de Christelijke Theologie, II 285 v. — over den oorsprong der wereld, II 428 — het menschelijke leven, III 180.

Sluiten