Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Joodsche Theologie; leer over het Oude Testament, I 422 v. — tusschenwezens, II 101, 267 vgl. 268 v. — de heerlijkheid Gods, II 257 — de wilsvrijheid, II 355 — den oor- ! sprong der zonde, III 17 v. 31, 72 — over den heilsweg, III 559 — : den toestand na den dood, IV 662 v. — eschatologie, IV 726 v.

Judaisme, III 213.

Jus talionis; Zie Vergelding.

K.

Kabbala, over God, II 149, 174.

Kant — Laplace'sche hypothese over j het ontstaan der wereld, II 515 v.

Karolingische theologen, I 135.

Katechetenschool in Alexandrië, I 116.

Katholiciteit der Kerk, IV 303, 350 v. I

Kelkonthouding, IV 627 v.

Kenbaarheid Gods, II 2 v.

Kenleer, bij Scholastische en Geref. theologen, I 226 v. — in de nieuwere Philosophie en de beteekenis van het onderzoek daarnaar, I 530 — in religie en theologie en, de beteekenis, daaraan gehecht in de nieuwere theologie, I 530.

Kennis in God, II 182 v. — onderscheiden van onze kennis, II 188— alleen uit en van zich zeiven, II 188, 203 — geldt ook van de toevallige en vrije daden des menschen, II 189 v. — wat bestreden wordt door Jezuïten en anderen, II 190 v. 193.

Kennis des geloofs, I 611,613 v. IV118 v.

Kennis, onze, van God, inzooverre zij verkregen wordt uit de algemeene openbaring, I 324 — uitsluitende inhoud der Dogmatiek, II 2 — niet adaequaat, II 23 v. 29, 85, 86, 87, 112, 115, 120 — toch niet onzuiver noch onwaar, II 85 v. 112 v. 115, 120: niet symbolisch, II 88 v. maar ectypisch en analogisch, II 90, 123 — hoedanig zij is, II24v. — geen beperking Gods, II 25 — onmogelijk in de pantheistische philosophie, II 25 — berust op openbaring Gods, II 27 v. 29 v. 83 v. 89 — op aarde altijd middellijk, door een spiegel, II 45 v. — inge-

schapene, I 312, (I 42, 43 v. 48; verkregene; II 50 v. — belang en waarde van de drie viae voor haar, II 113 v.

Kennis van Adam in den staat der rechtheid, II 600.

Kennis van de engelen, II 483.

Kennis van goed en kwaad, III 5.

y.vm<tic, Leer van de, bij Christus, III 278, 328 v.

Kerk-, IV 295 v. — in het Oude Testament, IV 297 v.—in het Nieuwe Testament IV 299 v. — bij Rome en dan bepaald ook hare verhouding tot de Schrift, I 89, 477 v., 480 v., 493, 505 v. 519, 534 v., 540 v.; IV 306 v., 317, 318, 327 v., 330, 333 v., 485 — in de Reformatie, ook wat betreft hare verhouding tot de Schrift, 172.75, 404 v., 484, 498 v., 535; IV 309 v. 485 — bij Schleiermacher en nieuwere theologen, I 496, 500 v. — zichtbare en onzichtbare, IV 309 v., 328 v. 332 — pluriformiteit en eenheid, I 71, IV 314, 343 v., 348, 349 — en gemeente, IV 321 —en Godsrijk IV 322 — als organisme en instituut, IV 329 v., 355 v. — kenteekenen, IV 333 v. — als alleenzaligmakende bij Rome, IV 336 — ware en valsche, IV 343 — eigenschappen, IV 348 v. — regeering, IV 354 v., — als moeder der geloovigen, IV 358 — hare roeping tegenover de waarheid Gods, I 6, 482, 511, IV 458 — als motief des geloofs, I 482, 548 — en Theologie, I 663 — en Staat, IV 298, 402, 404, 425 v., 434 v. 447, 448, 453 v., 479 v. — en wereld, IV 476 v.

Kerke raad-, IV 470.

Kerkvaders-, over het dogma der Schrift, I 424 v., 455 v., 508, 521 — hun gebruik van de philosophie voor de theologie, I 653 — geen autoriteiten voor de leer der aangeboren begrippen, II 38.

Kerkverband; IV 408, 474.

Kerspelvorming; IV 409.

Ketterdoop; IV 589.

Ketterij; IV 347 v.

Kinderdoop ; IV 28, 30 v., 45 v., 155, 357, 504, 556, 569 v.

Kinderen,jonge ; hoe ze te beschouwen, als onschuldig of zondig, III, 74,

Sluiten