Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lot, het; als openbaringsmiddel, I 344.

Lutherschen ; Onderscheid tusschen hen en de Gereformeerden, I 172 v., II 365 v„ 370 v., 458, 616, 631 v. — over de twee hemisphaeria, de natuurl. Qodskennis enz., I 315, II 41 v., 594 — hun omschrijving van God, II 95, 139 v. — hun indeeling van de eigenschappen Gods, II 117 — over wil des besluitsen wil des bevels, praedestinatie en wilsvrijheid genade en heilsorde, II 244 v., 366 v., III 519, 591 v., — hun verwantschap met de Remonstranten, II 367; — over het beeld Gods, II 589 v., 594, 615 v., 631 v.

— de onderscheiding van vergeeflijke en doodel. zonden, III154 — Oud- en Nieuw Testament, III 216

— over Christus' persoon en naturen, verhooging enz., III 270 v., 335 v„ 340, 347, 478 v., 483, 485 — de actieve gehoorzaamheid van Christus, III 416 — de nederdaling ter helle, III 465 v., 479 — de bekeering (poenitentia), III 598 v., IV 151 — het universeele van de roeping, IV 3 v. — doop en wedergeboorte, IV 30 v., 45 v., 46 Noot 3, 87 v., 555, 559, 572 — de zekerheid des geloofs, IV 244 — over de goede werken en hun noodzakelijkheid, IV 274 v., de kerk, IV 310, 317 over het bisschoppelijk ambt, IV 393 — stelsel van kerkregeering, IV 402 v. — de kerkelijke macht, IV 444 v., 447 — de genademiddelen, IV 486 v., — de Wet en hare beteekenis, IV 497 v., — de verhouding van Woord en Geest, IV 500 v., de Sacramenten, IV 511, 518, 522 — het avondmaal, IV 609 v. — den tusschentoestand IV 671 — de wederkomst van Christus, IV 768.

Luthersche Dogmatiek in de 19e eeuw; I 158 v.

Luthersche kerk in Amerika; II 383.

M.

Macht van Christus in den staat der vernedering; III 344 v. — der kerk IV 413 v„ 425 v.

Magie; I 338, III 144 N. 1.

Majesteit Gods; II 259.

Malak Jhvh in het Oude Testament; zie Engel des Heeren.

Manichaeisme; II 429.

Mantiek; I 338.

Maria ; in de Roomsche leer en cultus, III 299 v. — haar onbevlekte ontvangenis, III 111 v., 299 v. — volgens Protestantsche opvatting, III 301 — of zij altijd maagd gebleven is, III 311 v. — of zij uit David is, III 316 N. 2.

Marrow controversy in Schotland; I 190, III 522 v. 607.

Martelarenvereering in de Christelijke kerk; IV 683.

Materialisme ; als consequentie van het Empirisme, I 221, 223 — kan geen openbaring aannemen, I 305 v. — als wereldbeschouwing, I 384, II 431 v., IV 650 — als atheïsme, II 32 — bestrijdt alle doel in de natuur, II 62 — over oorsprong der wereld, II 431 v., 460 v. — en Pantheisme, II 432 v., 436, 460 — kritiek, II, 432 v.

Mechanische inspiratie ; I 454.

Medewerking in de Voorzienigheid Gods ; II 643, 649, 656 v.

Mensch; Twee of drie conceptiën van hem volgens Rome, I 373 v., II 578 v. 583 v„ III 582 — zijn afhankelijkheid van en verwantschap met den kosmos, I 528 — als einddoel van alles in het Humanisme en Rationalisme, II 455 v.

— zijn verhouding tot de natuur in het Heidendom, in het Pantheïsme en Materialisme en in het Theïsme, II 463 — zijn overeenkomst met en onderscheid van de engelen, II 485 v., 487. III 53,146 v. zijn oorsprong, II 543 v. — zijn wezen, II 566 v. —als beeld Gods, II 596, zie ook Beeld Gods — als mikrokosmos, II 604 — zijn bestemming, II 605 v.

Menscheiijk geslacht-, het, als objekt van verkiezing en herschepping,

II 406 — zijn ouderdom, II 554 v.

— zijn eenheid, II 558 v., 621,633,

III 16 — zijn oorspronkelijke woonplaats, II 562 v. — als organisme onder een hoofd, II 622 v., III91 v.

Menscheiijk weten van Christus-, III 340 v. — of het vatbaar voor dwaling was, III 341.

Menscheiijke natuur van Christus als orgaan zijner Godheid, II 87 —

Sluiten