Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mystiek-, in de Middeleeuwen ; 1140 v. Zie ook Mysticisme.

Mystieke opvatting van de verlossing door Christus, III 375.

Mythische theorie tot verklaring van het scheppingsverhaal, II 522, 531 v.

N.

Naam, in den, van; Beteekenis dezer uitdrukking, IV 550 N. 1.

Naam Gods; II 74 v. — valt in vele namen uiteen, II 80 v. — recht er van, II 82 v.

Na-Apostolische tijd, III 575.

Namen Gods, wel van de schepselen ontleend, maar zakelijk eerst van God geldende en dan van de schepselen, II 86, 114 — geen produkt van de ratio ratiocinans, maar van de r. ratiocinata, II 87 — niet louter symbolen en produkten der dichtende verbeelding, II 88 v. — geschiedenis van hun opvatting in Theol. en Philos., II 92 v. — niet van ons uitgaande, maar door God aangaande zich zelf geopenbaard II 76 v. 87, 111—indeeling er van, II 113 v. —Zie ook Eigenschappen Gods, Benoemingsnamen enz.

Namen van den Middelaar-, III 394v.

Naturalisme; I 304 v. 319, 378 v. II 32.

Naturen, Twee, van Christus-, 1120; III 265 v. 322 v. — vereeniging van beide, III 326 v. — effecta, III 335 v.

Natuur; Idee daarvan, 1 370 v. 389 v. en openbaring in haar onderling verband, I 369 v. 375 v. 387 v. — en in haar onderscheid, I 392 v. — en genade volgens Rome, I 375 v. IV 476 v. — en volgens de Reformatie, I 377 v. vgl. 502 ; III 534, 657 v. IV 10, 476 v.

Natuur Gods; II 92.

Natuurlijke, het-, in onderscheiding van en verband tot het zedelijke, II 389.

Natuurorde; II 646, 659 v.

Natuurvolken; I 328 v. II 572.

Natuurwetenschap en Christendom; 11 659 v.

Natuurwetten-, I 386 v. vgl. Natuurorde.

Navolging van Christus; III 416, 575.

Nederdaling ter helle; III 459 v. IV 668. 670.

Nederland-, Geschiedenis der Geref. Theol. in, I 175 v. 178,183 v. 187 v. 191 v. III 608 v. 610 v.

Ned. Geloofsbelijdenis Art. 15; IV 568.

Neo-hegelianen; I 162 v.

Neo-kantianisme; in de Theologie, I 165 v. 579 v. 599 v. II 20 — over den oorsprong der religie, I 281 v. 580.

Neo-lutheraansche opvatting-, van de werking der Sacramenten, IV 514, 522, 613, 637.

Neo-nomiaansche opvatting van de heilsorde in Engeland, I 179 III 606 v. 673 IV 210, 232 —in Schotland, I 190 III 607.

Neo-platonisme; over God, II 149 — Zijn invloed op de leer van Rome,

II 177 v. 576, 580, 593 IV 53 — over de stof, III 32 — de vereeniging met God, IV 53.

Neo-scholastiek in de Roomsche kerk; I 144 v.

Nestorianisme; III 326 v., 333, 345.

j New-England Theology; I 202; III 380. Zie ook Edwards.

Nieuwe Testament, het-, over het Oude Testament, I 412 v., en over zich zelf, I 416 v. — over de Drieeenheid, II 270 — als vervulling van het Oude Testament, II 270;

III 233 v„ 363; IV 92 v., 733 v. — Zie ook Oude Testament.

Nieuw- Testamentische taal-, I 459;

IV 18.

Nominalisme, in de Middeleeuwen; I 140, 234; II 14 — en Realisme in de philosophie, I 234 v. — over de eigenschappen Gods, II 108, 167 — Gods wil en macht, II 235 v., 249 v.

Nomisme in Israël na de ballingschap ; III 558 v.; IV 131,188,247 —in de heilsorde, III 605 v., 650 v., IV 493 v., 499 — in de eerste Chr. Kerk, III 575 v.; IV 253 v.

Nooddoop-, IV 584v.

Noodlot-, II 138, 644, 645 v.

Noodzakelijkheid der Heilige Schrift-, I 493 v.

Novatianisme; IV 304.

Sluiten