Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O.

Offerande; oorsprong en wezen, 111 352 v. — in Israël, III 358 v.

Offerande van Christus; 111 364 v. — in betrekking tot onze zonde, III 365 v., 443 v., 505, 543 - vrucht van de, III 366 v. — waarde volgens de kerkvaders, lil 447 N. 4 —

— voldoende voor de geheele wereld, III 448.

Oliesel, heilig, bij Rome; IV 540.

Onafhankelijke moraal; I 40.

Onafhankelijkheid Gods; II 106 v., 138v.

— van Zijn bewustzijn en kennis,

II 188.

Onbegrijpelijkheid Gods; 11 1 v.

Onbewuste, het; bij von Hartmann, II

184, 206 — beteekenis er van, II

185, IV 54 v.

Onderwerping van Christus aan den Vader in de toekomst, III 549 v.

Ondogmatisch Christendom; wat er van te denken, I 9, 649 v.

Oneindigheid Gods; verkeerde opvatting er van, II 25, 148 v. — hoe te verstaan, II 149 v.

Onfeilbaarheid van kerk en Paus bij Rome; I 7 v„ 107, 478, 500, 515, 517, 518; IV 352 v., 386 v„ 436 v. 453 v.

Ongedoopt stervende kinderen; hun toekomstig lot bij Rome, II 583;

III 21 ; IV 711.

Ongeloof als zaak des harten ; 1 635;

IV 11.

Onmacht des menschen ten goede; III 114 v., 666.

Onsterfelijkheid des menschen vóór den val; II 602 — der ziel, IV 646 v.; vgl. ook Conditioneele onsterfelijkheid.

Ontologisch bewijs voor het bestaan van God; II 58 v., 64 v. — voor de onsterfelijkheid der ziel, IV 652.

Ontologisme over de kennis Gods; I 150; II 36, 41, 45, 46.

Ontvangenis van den Heiligen Geest; III 306 v.

Ontwikkelingsleer. Zie Evolutieleer.

Onveranderlijkheid Gods; II 141 v. — sluit verandering van de relaties, waarin God de dingen tot zichzelven stelt, niet uit; II 147 v.

Onweerstandelijkheid van de werking van Gods genade; IV 65 v. — bezwaren daartegen bij de Remonstranten e. a. en hun weerlegging, IV 68 v.

Onzienlijkheid Gods ; II 177 v.

Oordeel, laatste; IV 777 v.

Oordeel der liefde; IV 580v.

Oorsprong des levens; verklaring daarvan in de natuurwetenschap, II 549 v.

Oostersche en Westersche Kerk en Theologie in hun onderscheid van elkander; 1 126 v.; II 292, 324 v., 599 ; III 267 v.; IV 434.

Oostersche volken in onderscheiding van de Westersche; II 196.

Openbare belijdenis; IV 643 v.

Openbaring; in de Heidensclie godsdiensten, I 291 v. — geschiedenis van haar begrip in de Theol. en Philos., I 295 v. — opvatting in de nieuwere Religions-philosophie, I 58, 288, 291 v. — als beginsel en bron der religieuze kennis bij J. Kaftan, I 16 v., 20 — als fundament en principe van religie en theologie, I 61 v., 211 v., 255 v., 287 v., 318 v., 366 — haar begrip, 1 304 v., 317, 366 -- onderscheiding in de, I 62, 311 v. — onmiddellijke en middellijke. I 319 v. —

als daad van genade, I 320 — middelen, I 320 v., 338 v., 358 v. — inwendige in verband tot de uitwendige, I 364 v., 368 — bovennatuurlijke ook vóór den val, 1374

— en natuur in haar onderling verband, I 369 v., 375 v., 387 v., en onderscheid, I 392 v. — bestrijding en kritiek van haar in de nieuwere Theologie, I 378 v. — oorzaken van hare verwerping en aanneming, I 383 — en Heilige Schrift, I 400 v., 523 — niet ideniisch metdetheopneustie, I 296, 401, 450 — omvat toch ook de theopneustie, I 401 v., 450, 500 v. — niet in strijd met de natuur van den mensch en historisch en psychologisch te verstaan,

I 454 v.; IV 657, 660 — in het Oude Testament als voorbereidend,

II 6 — van God in het schepsel, een mysterie, II 25, en toch een feit, II 30 v. — als beperking tot het religieus-ethische, II 82 — noodig ook in den staat der heerlijkheid om God te kennen, II 181

— in haar universalistisch karakter, III 224 v.

Sluiten