Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Perfectionisme; IV 281 v.

Permissio; zie Toelating Gods.

Persoon in de Drieëenheid ; II 303 N. 3, 307 v. 310 v. — en natuur bij Christus, III 333 v.

Persoonlijkheid Gods in de Schrift;

II 3 v. — in strijd geacht met Zijne absoluutheid, II 21 v., 308 — bij de theïstische philosophen, II25 v., 97, 105 — inhaerent in elke religie, II 32 v. — wat te denken van het' gebruik dezer benaming, II 26, 105 — nog niet gegeven met de geestelijke natuur Gods, II 177.

Persoonlijkheid des menschen; II 308 v.,

III 333.

Pessimisme-, III 33, 41, 180 v., IV 715 v.

Petrus-, als Apostel IV 366 v. — zijn primaat, IV 394 v. — of hij te Rome is geweest als bisschop, IV 397 v.

Philippisten \ I 154 v.

Philosophie; haar gebruik in de Theologie in de eerste eeuwen, 1113 — tweeërlei oordeel over haar bij de kerkvaders, I 114 v., 116v. — haar ongenoegzaamheid, I 324 v. — als hulp der Theologie, I 653 v. 662 v. — na Kant, III 629 v„ IV 35 v. haar invloed od de Dogmatiek, I

94 V 158 V.. 207 — van den gods¬

dienst en hare noodzakelijke onderstelling, I 57, 249 v.

Philosophische Ethiek-, IV 286.

Phraseologia sacramentalis in de Schrift; IV 528 v.

Piëtisme -, I 156, 569, 610 v., III 609 v. 652 v., IV 10, 120, 125, 155 v., 160 v„ 210, 262, 279, 315.

Plaatsbekleedingvan Christus, III 440 — 't aequivalente, III 447 v. — waarom mogelijk, III 450 v.

Plaatselijke Kerken-, IV 408, 470 — moeten zij in de groote steden

een blijven, IV 4iu.

Plaatsen, moeilijke in de Schrift, 468 v.

Planeten-, bewoonbaarheid, II 468

470 v.

Plicht en wet-, IV 280.

Poenitentia-, Zie Bekeering.

Poëtische boeken des Ouden Testa ments, I 411.

Polygenisme-, II 558.

Polytheïsme-, strijd van het Christendom daartegen, II 165 v. — in den nieuweren tijd, II 67,/101, 166.

Positivisme, I 220 v. Zie ook Wetenschap.

Praeadamitisme-, II 559, 560.

Praeambula fidei bij Rome, I 88 — in het Rationalisme, I 94, 99.

Praedestinatie-, bij de Roomsche godgeleerden, II 363 v. — bij Luther en de Luthersche theologen, II 365 v. — bij de Gereformeerden, II 368 v. — orde en plaats van behandeling, II 370 v. — in verband tot de andere besluiten Gods, II 388, 390 v. 409 — in Schrift en Theologie, II 390 v. — als belijdenis der gansche Christenheid, II 393, 397 — als gemina, II 405, 410 — in het Pelagianisme, II 356 v., 371, 389 v. 397 vgl. Pelagianisme.

Praedestinatus, het boek, II 360, 362.

Praeëxistentianisme; II 624; III 56 v.

Praepositiones distinctionales in de leer der Drieëenheid, II 329.

Praescientia; zie Vóórwetenschap Gods.

Pragmatisme-, III 678 v.

Presbyteriale kerkregeering; iv v.

Priesters in de godsdiensten der volken, III 357 v. — in Israël, III 358.

Priesterschap van Christus-, III 541 v., IV 467 v. Zie ook Offerande, Plaatsbekleeding van Christus enz.

Priesterwijding als sacrament bij Rome ; IV 540.

Primaat van den wil; II 229 v., 250,433.

! Princeton Seminary; I 205.

Princeton Theology; I 203.

Principia-, algemeene beteekenis van deze, I 209, 484, 633; II 47.

Principiënleer vóór de Dogmatiek; I 100, 208 v.

Principium cognoscendi der Theologie; I 73, 211 v. — externum en internum, I 100, 212, 290, 534, 603 v. — internum, I 528 v.

Principium cognoscendi der religie; I 288 v.

Principium essendi van de Theologie; I 210 — van de religie, I 287.

Proefgebod-, II 614, 618.

Sluiten