Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Profeten-, in hun verhouding tot de wet, I 409 v. — hun zelfbewustheid, I 382, 407, 408 v. — in het Nieuwe Testament, IV 363 v.

Profetie-, als openbaringsmiddel, 1 343 v. — geen bewijsstuk van de openbaring slechts, maar zelve openbaring, 1 361 — in Israël, III 252 v.

Profetisch ambt van Christus; III 364 v., 540 v., IV 456.

Proloog van fohannes-, 111 298 v.

Protestanten-, hun oordeel over de Roomsche Kerk, IV 342.

Providentia; Zie Voorzienigheid Gods.

Ptolemeische wereldbeschouwing-, II 512 v.

Puseyisme; I 151, 197, IV 514.

Q.

Quakerisme-, I 186 — over het werk van Christus, III 375, 532, 533 — over de Kerk IV 315 v. — over de Sacramenten, IV 513; over den doop, IV 558.

R

Raad Gods ; 11 347 v. — in de Schrift, II 350 v., vgl. 384 v. — in de uitvoering, II 384 v., 386 — en praedestinatie, II 409.

Raad des vredes; III 220 v., 294 — en verbond der genade, III 238 v.

Raadgevingen; evangel. bij Rome, I 376, IV 254 v., 279 v.

Rahab-, II 503 v.

Rassen; verscheidenheid en eenheid, II 561 — 't constante er van, III 104.

Ratio ratiocinans et ratiocinata; II 87, 111, 311.

Rationalisme-, 1 157, 552 — invloed op de Dogmatiek, I 94 v.; op de Room¬

sche Theologie, I 148 v. — in wetenschap en philosophie, I 214 v.,

II 335 v., Iv 35 en fout daarvan, I 225, 604, 1120v. — over de openbaring, I 297, 306 v. 315 v. —over de genoegzaamheid deralgemeene openbaring, I 324, 543 — verschillende vormen er van, I 378 v.

— samenhang met het Mysticisme, I 495, 504 — wat er aanleiding toe gaf in de Prot. Theol. I 315 v., 543 over de kenbaarheid Gods, II 16

— God, II 95, 143, 156, 168 — hangt tarnen met verkeerde beschouwing van den mensch, II 599 — de zonde, III 22 — het werk van Christus, III 381, 481 — de heilsorde, III 602 v, 616 v., — het geloof, IV 108 — de Kerk, IV 314 — de Sacramenten, IV 484, 513

— den doop, IV 558 — het avondmaal, IV 612.

Realisme-, in wetenschap en philosophie, I 224 v. — en Nominalisme,

I 234 v — tot verklaring van de zonde uit Adam en de gerechtigheid van Christus, II 633, III 91 v.,. 452 v.

Reatus culpae et poenae bij Rome,

III 173, IV 141, 239 — potentialis et actualis bij de Gereformeerden, III 174, IV, 240.

Recht-, niet denkbaar boven God, II 225 — van het schepsel in zich zelf tegenover God bestaat niet,

II 225; 234, 235 - door God aan het schepsel gegeven, II 2-26 — in hoeverre dwang en straf ertoe behoort, II 226 — en religie, II 98,

III 411 v.

Rechterlijke macht der Kerk over de gedoopten volgens Rome, IV 172 v.

Rechtsorde ; II 226 — en zedelijke orde,

II 227, III 413.

Rechtvaardig-, in de Heilige Schrift, II 218 v., vgl. verder Gerechtigheid Gods, Rechtvaardigmaking.

Rechtvaardigmaking; IV 182 v., — bij Paulus IV 188 v., 217 — volgens Rome, IV 194 v., 239, 700 — bij Luther, IV 197 v., 217 — in de Luth. confessies en theologie, III 599, IV 205 v., 217 — in de Gereform. theologie, III 599, 606 v., IV 208 v. — bij Schleiermacher en de Vermittlungstheologen, III 632, IV 207 — bij Ritschl, III 633 v„ IV 40 v., 207, 231, N 2 — en wedergeboorte in haar onderling verband,

III 100 v., volgens Schleiermacher

IV 37 v. en volgens Herrmann, IV

Sluiten