Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Werthurlheile ; I 587, 594 v.

Westersche en Oostersche Kerk en Theologie, I 126 v. ; II 292, 324 v., 599; IV 434.

Westminster confessie, Revisie der, in Schotland en Amerika, II 383.

Wet Gods; geestelijk te verstaan I 241 v.

— en profeten, I 409 v., 410, 422

— natuurlijk en noodzakelijk, of vrij? II 234, 236, 239; III 410 — voor Adam volgens Lutherschen en Gereformeerden, II 616, 618 — voor de geloovigen, volgens Lutherschen en Gereformeerden, II 416; III 600 — als maatstaf van goed en kwaad, III 118v., 124 v., 138 v. — en volkszede, III 125 v.

— als kenbron der zonde, III 139; IV 167 — Christus over haar en tegenover haar, III 131 v., 410; IV 491 v. — hare beteekenis voor Israël in de Oud-Testamentische bedeeling, III 231 v. — en plicht, IV 280 — en Evangelie, IV 491 v.

* — bij Paulus, IV 492 v., 495.

Weten en gelooven. Zie Gelooven.

Wetenschap; positivistisch begrip er van en beoordeeling, I 14 v., 22, 32 v., 220 v., 222, 232 v., 252 — en religie, I 263 v., 287, 489, 580; II 501.

Wezen Gods; II 91 v. — niet te stellen tegenover de openbaring en de daarin bekend gemaakte deugden Gods, II 92 v., 100 v. — gebruik van het woord toch niet te verwerpen, II 104 v., 137, 170, 305 v.

Wide-hope leer in Engeland, IV 786 N 2.

Wijsbegeerte. Zie Philosophie.

Wijsheid Gods-, II 195 v. —als hypostase, II 261, 275, 445 — in de apocriefe litteratuur, II 265.

Wil als oorzaak aller dingen in de nieuwere philosophie, II 229 v.; natuur van den, II 231. Zie ook Primaat van den wil.

Wil Gods; II 228 v. — als willen van zichzelf, II 232, 233, 458 — als willen van het geschapene, II232 v., 1 233 v., 238, 459 — als oorzaak van het zijn en zóó zijn der dingen, II 386, 388, 459 — onderscheid daarin, II 233, 242 v. — zijn vrijheid, II 232 v„ 250 v.; III 407 — geen pure willekeur, II 238 v., 414, 455 — geen blinde, alogische, II 242 — geen machtelooze begeerte of wensch als in het Pelagianisme, maar eenvoudig, eeuwig, onver¬

anderlijk, krachtdadig, II 245, 246, 393 v.

Wilde dieren en kruipende in den staat der rechtheid, II 609, 619; III 185.

Wonderen als openbaring Gods, I 349 v., 360 v. — in verband tot de natuur en hare orde, I 350, 372, 386 v., 391 v., II 658 v. — bij de Oudtestamentische profeten, I 351 v. — bij Christus, I 353 v., III 364 — bij de discipelen, I 353 v. — in de Christelijke Kerk na de apostolische eeuw, I 363 v. — geestelijke. Zie Geestelijke wonderen.

Wonen Gods, het; II 155.

Woord en feit in hun onderlingen samenhang in de openbaring Gods, I 81, 349, 361, 382, 404, 640 v.

Woord Gods; beteekenis dezer uitdrukking in de Schrift, I 421 v.— als naam van Christus, I 422. Zie ook Logos — niet in de Schrift, maar de Schrift zelve Gods Woord, I 470, 486 v., IV 490 v. — onbeschreven en beschreven in het Protestantisme, I 498, 520 — als genademiddel, III 688, IV 357, 489 v. — beteekenis voor het geestelijk leven, IV 84 v., 117 v.— en Geest, IV 88, 499 v. — als kenteeken der Kerk, IV 339 v. — en Sacrament, IV 457, 490 — als kracht, IV 501 v.

Wraak Gods; II 220.

z.

Zaligheid Gods; II 206, 231, 254v.

Zaligheid als toestand van rust, II 206, 231, 255 — in de pantheïstische mystiek als een opgaan in God, II 231 — als inbegrip van de weldaden van Christus, III 367,504 — de eeuwige, IV 800 v., 811 v. — der Heidenen, zie Heidenen.

Zaligmakend werk van Christus, III656, Zie ook Verwerving, Toepassing der zaligheid enz.

Zebaoth; Jhvh, als naam van God, II 133.

Zedelijke het en natuurlijke, wél te onderscheiden, niet te scheiden, II 389 — volgens de evolutieleer, II 66 v.

Sluiten