is toegevoegd aan uw favorieten.

Van 's Heeren wegen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de sjees door een dorp reden, zei oom: zingen, Piet, zingen: Wie heeft lust den Heer te vreezen. We moeten de menschen uitnoodigen.

Ook wil Spr. wijzen op de vele Zondagsscholen, die toen al werden opgericht.

Ds B. A. Bos van Assen merkt op, dat Referent gesproken heeft over opzettelijke Evangelisatie. Die was er in den eersten tijd na de Afscheiding nog niet. Maar toen zijn er toch geweldige, aangrijpende getuigenissen afgelegd voor de rechtbanken en in de gevangenissen. Een zekere Zeebuit hield in de gevangenis te Assen godsdienstoefeningen met het bezoek, dat hij ontving, zoodat de andere gevangenen het konden hooren. Luitsen Dijkstra van Smilde haalde overal, waar hij was, den Bijbel uit zijn zak, en vroeg: „mag ik u eens iets voorlezen uit de grondwet van mijn Koning?" Overal gaf men blijmoedig getuigenis.

Voorts meende Spr., dat de Evangelisatie ook bevorderd is door het gezelschapsleven, dat naast de kerk bleef voortbestaan.

Ds F eenstra verklaart, dat hij bij het schrijven van zijn referaat al bang was, dat men uit de verschillende Provincies zou komen met de opmerking: bij ons is er ook wel wat gedaan en volstrekt niet minder dan in Noord-Holland. Men zal echter begrijpen, dat hij niet alles heeft kunnen noemen; hij heeft zich bepaald tot eenige voorbeelden. Voor de gemaakte opmerkingen en de mededeelingen, die gedaan zijn, is hij dankbaar. Laat men in alle Provincies eens nagaan, wat er vroeger al zoo in het werk der Evangelisatie is gedaan. Spr. wijst in dit verband op artikelen over dit onderwerp voor wat Overijsel betreft van Ds J. J. Bouwman in de „Almelosche Kerkbode".

Tot Ds Bos zegt Referent, dat zijn taak was, om over de Afscheiding en het werk der Evangelisatie te spreken; dus over de opzettelijke Evangelisatie. Maar hij heeft ook doen uitkomen, van hoeveel beteekenis de onopzettelijke Evangelisatie is geweest. Daarop mag ook op dezen dag nog wel eens de nadruk gelegd worden. Hoe komt het, dat wij wel uitstekend georganiseerd, doch niet zoomaar evangeliseeren. In die menschen uit het begin der Afscheiding was de Heilige Geest op een bijzondere wijze werkzaam. Ze waren er vol van. Ze konden niet zwijgen. Al geschiedt onze Evangelisatie naar zuivere beginselen, als in het hart niet het geloof leeft, dat ook het spontane getuigenis doet uitgaan en onopzettelijk evangeliseert, dan is die arbeid ij del. Wij moeten ons nergens, niet in trein of boot of waar ook, het Evangelie van Christus schamen. Wij moeten levende lidmaten van Christus zijn en de Kerk behoort te wezen een stad op een berg.