is toegevoegd aan uw favorieten.

Sociaal-psychologische aspecten der industrialisatie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het verlies van bezit, terwijl voorts grote afzetgebieden als b.v. Duitsland, voor onze export verloren gingen. Hoewel t.a.v. de laatste factor een zeker herstel intreedt, heeft zich de situatie toch nog niet zozeer gewijzigd dat de verdere ontwikkeling met vertrouwen tegemoet kan worden gezien. Weliswaar hebben de Benelux en de E.B.U. gepaard met liberalisatie enige perspectieven gegeven, in zoverre het volume van de internationale handelsbeweging werd opgevoerd, terwijl een mogelijke integratie van Europa enige perspectieven opent. De vooruitzichten zijn echter veelal nog te onzeker om daarop vooreerst te zeer te kunnen bouwen. En ook in groter economisch verband gezien, waarbij we b.v. denken aan West-Europa, zal de welvaart in Nederland afhangen van en worden bepaald door wat in dit deel van WesEuropa, nl. Nederland, gebeurt.

De noodzaak tot industrialisatie is vooral gegeven door de toeneming van de bevolking. In de periode van 1946—1955 dienen per jaar gemiddeld voor 38.000 personen nieuwe arbeidsplaatsen te worden gecreëerd. De vereiste investering per arbeider bedraagt in de verwerkende industrie ongeveer 13.000 en in de ambachts- en bouwnijverheid ca 2400 gulden, in de basisindustrieën daarentegen veel meer, n.1. tegen de 100.000 gulden. Wanneer nu per arbeider gemiddeld een bedrag van f17.600,— moet worden geïnvesteerd om hem het werken mogelijk te maken, dan betekent dit alleen reeds aan netto investeringen een bedrag van rond 670 millioen gulden. En dat is nog niet aan de veilige kant.

Er moet echter voor meer doeleinden worden geïnvesteerd n.1. ook voor afschrijvingen en modernisering, voor de landbouw en het verkeer, voor de handel en het woonhuis. Zo belopen de netto investeringen d.w.z. die welke alleen voor de uitbreiding van de werkgelegenheid dienen, in totaal in 1948 ongeveer 1300 en in 1951 1750 millioen gulden, voor het grootste deel door de bedrijven gedaan en voorts door de overheid. Dit investeringsniveau moet op zijn minst gehandhaafd blijven.

In de periode van 1955 tot 1960 echter zullen gemiddeld per jaar 55.400 personen in het productieproces moeten worden ingeschakeld, dat is per jaar een 17.000 meer dan in de periode tot 1955. De investeringen zullen dus tevens moeten stijgen.

Op het ogenblik is echter het tegendeel het geval. In 1952 zijn de investeringen achteruit gelopen. In de eerste helft ca 100 millioen gulden, in de tweede helft meer. Voor 1953 wordt een verdere teruggang gevreesd, mogelijk tot 1 a 1,1 milliard. Dit is zo'n 400 millioen beneden het gewenste minimum.

De oorzaak van de verwachte geringere investeringen wordt in hoofdzaak aan twee factoren toegeschreven. De eerste is dat van industriële zijde wordt gevreesd, dat de export zal teruglopen; de tweede, dat vele bedrijven eerst wensen te consolideren wat werd opgebouwd. Vrees dus voor vermindering