is toegevoegd aan uw favorieten.

Bilderdijk als denker en dichter

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze niet beoefend worden, om dank of loon te verwerven, maar hij leeft toch slechts ten halve, die niet voor anderen leeft. Het is plicht en genot beide, in onzen medeinensch te ademen, te lijden, te genieten ; zichzelf weldadig uit te breiden, en in anderen uit te vlieten, dat maakt ons Gode gelijk, die het heelal met weldaden doorstroomt 1).

Maai bij deze deugd der weldadigheid bleef Bilderdijk niet staan. Juist zijne opvatting van de patriarchale taak der overheid leidde hem tot de overtuiging, dat het gouvernement maatregelen nemen moest tot ondersteuning van misdeelden door het lot. Kollewijn heeft op dit sociaal element in Bilderdijks gedachtenwereld terecht de aandacht gevestigd 2). In zijn gedicht Oude Vrijsters neemt hij het voor de vrouwen op, die niet in de gelegenheid zijn gesteld, om in het huwelijk te treden ; spieekt hij met verachting van den verworpen stoet van grijze jongelingen, die den echt als kluisters schuwt en Gods bevel vertreedt, en eindigt hij met de verzen:

En gij, wien de armoe dwong tot koud en echtloos leven,

Koep over de aarde wraak, die 't geen zij teelt niet voedt, 't Ontbreken aan den plicht moog de Almacht u vergeven,

Maar wee die de oorzaak zijn, dat gij hem schenden moet. 3)

Hij spotte daarom met die valsche philanthropie, welke de armen eenvoudig naar Frederiksoord wilde zenden, om er van verlost te zijn 4), en achtte het een eersten plicht van het gouvernement, om voor de middelen van bestaan te zorgen, in dier voege dat ieder jongeling van 18 a 20 jaren trouwen kan en zijn huisgezin voorstaan, en voorts om werkverschaffing op groote schaal in landbouw, zeevaart, visscherij, fabrieken, indien er bij den aanleg te kort komt, krachtdadig te steunen. Practisch zijn deze voorstellen niet, maar ze bewijzen toch de juistheid van Kollewijns opmerking, dat het absolutisme, hetwelk Bilderdijk voorstond, hem de oogen niet sluiten deed voor de belangen van het volk. En ook met het oog op die scherpe tegenstelling tusschen rijkdom en armoede, overdaad en gebrek verlangde hij vol heimwee naar den dag, waarin vrede, eenvoud en oprechtheid op de aarde wederkeeren zou 5).

1) Dichtw. VI 288. V 410. XIV 50, 378, 411. 2) Kollewijn II136,137. 3) Dichtw. XIII 875. 4) Dichtw. XIV 111. 5) Dichtw. XIV 152—154.