is toegevoegd aan uw favorieten.

Gedenkboek ter herinnering aan het overlijden van Dr. A. Kuyper en de sprake die daarbij uit de pers voortkwam

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1901, nadat Pierson als Minister afgetreden was, een clericale regeering, die steunde zoowel op Calvinisten als Katholieken en waarin hijzelf de portefeuille van binnenlandsche zaken overnam. Hij was echter niet vreemd aan de buitenlandsche politiek en liet in 1902 veel van zich spreken naar aanleiding van een reis naar Londen, die in verband gebracht werd met de toen ingeleide onderhandelingen na den Boerenoorlog. Het jaar daarna onderdrukte hij met enorme kracht een groote spoorwegstaking.

Abraham Kuyper had theologie gestudeerd in Leiden en stond 7 jaar als predikant in de provincie. Hij was een geboren heerschernatuur en gevoelde zich verwant aan de Boeren, wier Puriteinsche levensbeschouwing hij deelde. De Staat was voor hem het werktuig Gods, de kerk moest vrij buiten de macht van de Staat staan en zijn vaderland, Nederland, moest voor Europa een modelstaat zijn. Hij was geen voorstander van het algemeen kiesrecht, dat volgens hem alleen aan hoofden van gezinnen, ook vrouwen toekwam. De Staat en het gezin waren voor hem de sociale hoofdbegrippen en men kan niet ontkennen, dat zijn levensbeschouwing een zekere trek van gezonde levenskracht bezat, verwant aan het soliede conservatisme, dat nog heden Koningin Wilhelmina's trouwe onderdanen kenmerkt en dat waarschijnlijk een erfenis is van tijden lang vóór die van Abraham Kuyper.

„De Standaard" (Belgisch orgaan) 10 Nov. 1920.

Abraham Kuyper, schrijver, journalist, theoloog, leider der Antirevolutionaire partij en der Streng Calvinistische orthodoxe, langen tijd wellicht Nederland's eerste parlementaire redenaar en staatsman, werd te Maassluis, waar zijn vader predikant was, op 29 October 1837 geboren. Hij promoveerde tot doctor in de theologie aan de Leidsche Hoogeschool (1862) en werd predikant te Beesd (1863), te Utrecht (1867) en te Amsterdam (1870). In 1874 verkreeg hij zijn emeritaat, werkte aan het oprichten der Vrije Universiteit, werd er hoogleeraar (1880) en trad in de Tweede Kamer als vertegenwoordiger voor Gouda (1874-1877) en voor Sliedrecht (1894-1901) Minister van Binnenlandsche Zaken en voorzitter van den Ministerraad in het anti-revolutionair-katholiek Ministerie (1901), stelde hij zich ten doel de Christelijke beginselen in het Staatswezen meer toe te passen. Hij deed het subsidiestelsel ten opzichte van de bijzondere scholen aanzienlijk uitbreiden, trachtte in denzelfden zin ook het Hooger Onderwijs te hervormen, door aan de Vrije Universiteit te Amsterdam het recht tot promotie, te schenken, en voerde zijn onderneming ten groote deele tot een gelukkigen uitslag. In 1905, behaalde de liberale partij de zegepraal en Kuyper moest aftreden.