Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 23 )

„ God zy dank," zeide myn arme Vader * „ voor alles; maar zulk een Kapellaanfchapkan ik waarlyk niet aannemen; Aan den anderen kant;, myn Fahny, hoe zal het gaan, als ik de leden van myn kerfpel moet verlaten? Ik gevoel voor hun alle liefde als één Vader, en zy beminnen my allen als kinders. Ik twyffel niet, of de voorzienigheid zal ons gunftig wezen. Schoon ik al hoog beiaard word, echter ■ •

Hier zag ik myn Vader een traan in deoogen glinsteren, en viel hem derhalve in de reden.

„ Laat ons eerder verblyd zyn, myn waarde Vader, dan ééne enkele gedagte van kwelling toegeven in deze omftandigheid van zaken. — Hebt gy uwe Fanny niet? Hebt gy niet hare geringe bekwaamheden in zoo verre vermeerderd, dat zy, daar houd ik my vast van verzekerd, daar uit een middel van beftaan zal

kunnen vinden? Ik zal dag en nacht aan

't Schryven gaan: En , zoo dat niet gelukken mogt, dan heb ik nog handen aan myn

lyf om voor u te werken. Ik ben nog

zulk een boek-worm niet, of ik kan nog wel iets anders by de hand nemen; —Gy weet, onze goede Martha heeft my dit geleerd. Wy B 4 zlit

Sluiten