Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 35 )

Vriend," zeide myn Vader, „ in Tiet eifchen' van verhooging: een enkel honderd pond in Y jaar is myne uiterfte begeerte. De volkomen helft daarvan zou ik Jaarlyks kunnen opleggen voor myne Fanny, myn lieveling en de vreugde van myn leeven; voor haar leef ik alleen. Behaagt het den Hemel my in het leeven te fpaaren, tot dat zy in de waereld gevestigd is, dan zal ik wel te vrede myne dagen eindigen: Ja, al riep my de Albefluurder morgen van hier, ik laat haar eene bezitting na van grooteii rykdom, namelyk, geleerdheid, deugd en eene onbevlekte onfchuld."

„ Ach! Vader lief!" zeide ik al weenenden „ gy bedroeft myrfpreék toch niet van derven,

bid ik u." Waarlyk, dit onderwerp was

al te aandoenlyk. My dagt ook een traan

te zien glinfteren in het oog van onzenbrsfaveri Vriend.

22 July.

Zints myne laatfte dagteekening zyn 'er twee' weeken verlopen. Thands moet ik u fchryven,dat ik naar de Abdy met myn Vader zal mede gaan: ik vrees, dat uwe Fanny eene trotfché Meid zal worden. Gy zult u zeker verwonde£ 3 ren

Sluiten