Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 204 )

1 Maar mogelyk zult gy hetzelve

in myn geval den naam van nieuwsgierigheid geyen.

„ Hoe groot is de fom wel, Madam," vroeg de hospes, die de gaauwdieven U hebben afgestolen ? „ Meer dan vyftig pond ,"

antwoordde ik met een diepe zugt.

„ Meer dan vyftig pond," hernam hy, „ dat

js waarachtig al een groote fom. _ Wel,

Madam, ik beklaag je van harte." Daarop ging hy heen, befluitende ongetwyffèld, dat ik, zoo veel geld by my gehad hebbende, dan ook een

Dame van middelen moest wezen. •

Maar, helaas, weinig dagten zy, dat ik alles kwyt was.

„ Wel, myn lieve jonge Juffer," vroeg eindelyk de waardin; „ wat zal ik nu tot een avond

maaltyd voor je laten klaar maaken? een

kuiken, of wat verkiest ge?"

Ik antwoordde, dat ik buiten ftaat was om te eten.

„ Waarlyk, Juffer, je moet wat eten!" hernam zy. „ Suban, zeg de Kok eens, dat hy een kuiken, en een of andere taart, al was bet een Kreeften-taart, klaarmaakt; en, als je dan naar bed gaat, Madam, zal ik je wat hui van

wit-

Sluiten