Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

v e e .t § l l i n g e S.

met het gezigt naar myne öaapkamer gewend. Zy was in een lang wit gewaad gehuld, en ik weet niet van welk een toveragtig iets omgeven. Ik kan niet ontkennen, dat my eene kleine huivering overviel. Ik riep andermaal myn' bedienden , doc,h de geflalte wenkte, en fcheen my te willen beduiden dat ik zou avvygeu. Alle myne zinnen waren gefpannnen. Thans opende zy den mond, en noemde,met eene zagte ftem, mynen naam. God! het was de ftem van mynen vriend; zoo duidelyk, en zoo natuurlyk, als ik my duizendmaal in zyne armen van hem had hooren noemen. Ik kromp te zamen van angst, en geloof zelfs dat ik fidderde.

„ R i n g l e e 3 n l " riep hy andermaal, eenigzins barder. —. ifc berftelde my. „ Zyt s, gy het ? — is het mogelyk!" meer kon ik niet uitbrengen. — De verfchyning treed eenige fchreden nader. „ Wy zullen ons we„ derzien! herinnert gy het u nog?'* Met deze woorden trad zy in myne kamer, mm de gordynen weeken, — een helle glao* verlichtte bet geheele vertrek.

ü 3 «RING*

Sluiten