Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vertelling» En. 149

Doch hoe zeer vond ons ongeloof zich befchaamt, toen wy- de vervaarlyke ruïne tot op omtrent vyftig fchreden genaderd waren ! •—„Hoort gy niets?" riep my de adjudant toe, die vddr reed, dewyl zyn paard zekerer ging, en ook heter den weg kende , daa het myne.

Wy hoorden beide een geruisch in den tempel, even of in denzeivcn gezongen wierd, en venrouwden in den beginne nauwlyks onze ooren. Hoe meer wy intusfchen den tempel naderden, hoe duidelyker dit 011begryplyk geluid wierd. Niet tegenftaande de wind van ons af naar de ruïne woei, konden wy echter zelfs enkele toonen en woorden onderfcheiden. Wy vervolgden kloekmoedigonzen weg, en kwamen tot op eenige weinige fchreden van het fpookverblyf. Plotslyk hield nu het gezang op, doch wy hoorden nog een zagt geruisch en een gefteun.-

Ik wilde binnen de muuren gaan, om, indien mogelyk, dit onbegryplyke te ontraadzelen; doch c z e t t ri t z ried my dit af, cu reed, wel niet vreesagtia, echter zonder G 3; ver-

Sluiten