Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vertellingen. 19

hemel ! daar trad de lyflyke' misdaadige , in zyn treurkleed, met eenen dertigen ftap in de kamer.

Een onbefchryflyke angst overviel ons. Wy fprongen beide van onze plaatfen op;, ik vloog den luitenant en de luitenant my tegen. Wy wankelden tusfchen de tafel en de canapée, en vielen gezamelyk op de laatfte neder.

Daar lagen wy nu, als verlamd van fchrik. Naauwlyks waagden wy het de oogen opteflaan, uit vrees van die des fpooks te ontmoeten, hetwelk ons nog fteeds zwygend aanftaarde.

„ Heer luitenant! kent gy my ?" vroeg hy eindelyk, met eene doffe en diep uit de borst komende ftem, doch in goed Hoogduitsch. Deze woorden ontvonkten myn moed weder. Dat kan de opgchangene idc'ü niet zyn — dagt ik by my zeiven —want die f'prak geen enkel woord Duitsch, en in de eeuwigheid kan by het zoo fpoedig

niet geleerd hebben. Het opkomend

vermoeden, dat wy veelligt door eenen verme--

Sluiten