Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERTELLINGEN.

53

Ik ftond nu weder midden op den weg, doch, naar het fcheen, om Hechts eene nieuwe afgryslykheid te zien. —1 Een witte fchrikb'narende geflaltc Hond, omtrent twintig fchreden agtcr my , tusfchen de boomen, en verhief zich, onder een vervaadyk ketengerammel, tot aan de afhangende takken. Ik beken, dat ik in dat ©ogenblik verftyfde

van fchrik — ik ftond als vastgewortcid .

de gellaltc was dan groot, dan klein, dan kromde dezelve zich te zamen, dan hief zy zich weder op, alles onder het beften-? dig gerammel der ketenen, zoo, dat het ' bosch daarvan weergalmde.

Eindelyk herfteide ik my weder, doch

myn paard ging voord, en liet my in den hagchelykflen toeftand tusfchen de beide gedrochten. — Ik was, wel is waar, gewapend, doch ik ftond thans gewillig mynen vyanden de overmagt toe, en oordeelde het niet voegzaam blindelings een avontuur te onderneemen, welks gelukkige uitflag voor my ten hoogften twyfelSchtig fcheen „ en waaivan ik, in alle gevallen, geen het minB 5 ge

Sluiten