Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERTÈLLÏN GÏE N. ïöt)

tc gelyk mynen naam noemende, hartelyk een' goeden avond.

Ik kan niet loogchenen dat ik fidderende de vraag uitftamerde: „ Leeft gy wezenlyk, of

is het uw geest?" —

„ Ach, lieve God! ik ben zeker oud ea „ zwak — lang zal het wel niet meer met „iny duuren; want heden heeft men in de Had „ mynen ouden krygsmakker ook reeds tc» ï, gravc gedraagen, «— en die was vyf jaarcit „ jonger dan ik; wie weet hoe fpoedig ik

hem volge ! "

Nu ging my op eenmaal een licht op, hetwelk alle vrees en dwaaling plotslings deed verdwynen. Ik zag duidelyk, dat ik met gee» ' nen geest, maar wezenlyk met mynen ouden vriend te doen had; en dat ik zelf of de Wolfenhutters den werkelyk overledenen invaliden met dezen nog levenden verwisfeld hadden.

Eenigen tyd daarna hoorde ik in Wolf enluttel, van eenen myner aldaar woonende vrienden, dat ook deze tweede invalide, die

b* H my

Sluiten