Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 16*2 )

Een oplettend medelyden deed my de ongelukkige fterk aanzien , en , zoo als ik dé plaats naderde , daar zy zat, fprong zy

van fchrik op. Ik was nu vlak vóór

haar, en kon , door het innigst medelyden getroffen, niet nalaten, myne oogen op haar te wenden ; maar, o Hemelhoe groot was myne verbaasdheid, in dit ongelukkig fchepfel geene andere, dan myne nicht Caroline Grimfiqn te vinden! Ik ftond ftyf van verwondering ! Zy doeg hare verwilderde oogen

op my, als of zy my om medelyden wilde bidden; daarop, my oogenbliklykherkennende , gaf zy een groote fchreeuw, „ o God*

^yt gy myne nicht Fanny ? . . Hae is het

anogelyk ? ó God / — help my — jnelp my /"

Ik betuigde haar insgeiyks myne Verwondering. — „ Is het mogelyk, dat ik myne nicht

Caroline in zoodanigen ftaat aanfchouw?

Wat — wat, bid ik u, is de reden van deze» «wen jammerlyken toeftand ?"

„ Ach/1' zeide het ellendig fchepfeJ, hare

handen wringende, „ laat my laat my

Hechts aan myn noodlot over.—! Daar (op

het water wyzende) - daar zal ik fchielyk éen einde myner ondeugd en ellende vinden." ik* God behoede u daarvoorv Caroline \ ——=*

ver-»

Sluiten