Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C m 3

m weemoedig was geworden, en een weinig vermaak my dus niet te onpas kwam.

Wy gingen dan naar de fchouwburg, en namen onze plaats op de gailery, die al tamelyk vol liep: zoo dat wy met moeite op de derde

bank raakten. Vlak vóór ons zat eene

zeer aartige juffer, die aan haar kleeding een

vreemdeling fcheen : Alle mansperfoonen

keeken haar, zoo ik merken kon, zeer fterk aan, en zeker heer, die naast my zat, luifterde zyn vriend in 't oor, echter zoo, datik het

verftaan kon, „ ik vrees, dat wy die

engel, Jufvrouw Seratim,vzn nacht niet zullen hooren zingen,- zy is ongetwyffeld de fraaifte

zangfter, die wy ooit gehad hebben: ^

daar zit zy, vlak vóór ons."

Naast deze Dame zat een Heer in het groen gekleed met goudenboordfels; —— maarzoo iang hy zat, kon ik hem niet in zyn wezen zien: Juffer Edwards kon dit wel doen, terwyl zy meer ter zyde zat: nadat wy een

poos gezeten hadden, fluifterde zy my zagtjes ïn 't oor, „ Fanny, ik loop gevaar van myn hart fchielyk weg te geven,- de man, die vóór t| zit, is de fchoonfte, dien ik immer gezien N 4 heb

Sluiten