Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 2.46 )

gunftig flaagde. ■ Laat in den nacht op,

den gewoonen tyd kwam myn echtgenoot te

foecj. Zeer vroeg in den morgen hoorde

ik hem weder opftaan, 't geen my, die zeer flaaperig was, deed vraagen, „ wat hem zoo vroeg het bed uit joeg?"

„ Ontrust u niet, myn' waardfte," gaf hy my ten antwoord; :, ik zoek alleen maar myn

handfchoenen in de bureau,-" op dit

oogenblik moet hy zekerlyk de lade zeer ftil geopend hebben; want ik heb 'er niets van

gehoord „ ga gy maar weder gerust flaapen

—— zyt niet ongerust over my op dea

maaltyd van middag zal ik te rug wezen.

Vaarwel, lieve Engel, de Hemel zegene ul ■*.

Dit was het aficheid van den laagen vein-

zaart, die, nadat hy de deur van de kamer zagtjes achter zich had toegetrokken, heenging.

Ik begaf my weder ter rust, en werd niet wakker, voor dat myn lieve kleine, die naast my fiiep , hare gewoone minzaamheid aan my bewees. — Zoo als ik haar en my zelve gekleed had, fchelde ik om de meid van het buis, om my het ontbyt te brengen, belastende haar tevens, wat zy my voor het middagBaal brengen moest* „ Myn Heex Benfon 9"

gei-.

Sluiten