Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

714 W. FOLKERSMA, GENEES-

gebraaden , op dat het windige verdwyne; 't gebeurt dikwyls dat deeze koorts zeer fchielyk verdwynt, meestal met den zevenden dag , en zelden behoeft men de kina te hulp te roepen , ten zy in zwakke geftellen ; doch men kan zig met die dingen, welke in de keuken en kelder gevonden worden, meestal behelpen.

| IV.

Men noemt deeze aanhoudende koorts, wanneer ze eene rotftoffe tot haaren oorfprong heeft, eene rotkoorts (Febris Putrida), en zy iaat zig zeer gemakkelyk van de andere onderfcheiden: derzelver kenmerken zyn wel hoofdzaakelyk de volgende, eene voorafgaande zwakheid, onrustige flaap , verlooren eetlust, hoofdpyn , lendenpyn, Hinkende adem en zeer ftinkende pis; dan volgt 'er koorts, die afgaat en zeer fchielyk van eene andere vervangen word, zonder tusfchenpoozing; van den beginne eene zeer rasfe kleine pols, die daar na in een fterkere veranderd, en zo 'er een ontfteeking by is, in eene harde; een witte beflaagen tong, ftinkende adem, bittere mond, geduurige walgingen, en braakingen: de pis is weinig, de huid droog, de buik meestal verftopt, zomtyds een overvloedig zweet, en zomtyds geduurige afgangen , nogthans zonder verligtinge. — Dies te meer kent men haar uit eene heerfcbende befmetting, en uit het misbruik van bedorven visch,

wa-

Sluiten