Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< 59 >

L E I S J E.

Ja zweigen zal ik, beste Neel!

'k Heb aan mijn' pligt genoeg,

Ik ben zijn Vrouw niet, dat fcheeld veel Maar anders, eer 'k het droeg, Ik weet niet wat ik deed, Ik plakte hem voor 't leed, In 't eene werkhuis of het aar* En zei: zit beste vaar! bis.

N E E L T J E.

Foei! foei! zoo hard niet zweigt maar ftil, En denkt aan eed en pligt,

Dat men getrouw is, naar Gods wil, In al wat men verricht; Geeft toch aan elk het zijn, Wilt naar geen' valfchen fchijn Van Schipper, noch van Kooper zien, Maar tracht dien fteeds te ontvlien. bis. L E i s j E.

Dat 's goeje praat, dat 's recht gezeid, Wij hebben Eed gedaaii

Voor God, en wiens alwetenheid, Geen ftervling kan ontgaan; Die alie valschheid haat, En voor 't bedreven kwaad, De mensch zijn zegening ontzegt, Want God bemint het Recht. bis.

Sluiten