Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< 53 >

*k Wierd nog een fchuld'loos teder wicht.

Helaas' ten prooi gelegt, En zelfs bij 't zien van 't lieflijk licht»

Al d' Ouder-hulp ontzegt; Geheel van Ouder-liefde ontbloot,

Heeft mij Miidaadigljeid, Een' vreemden, maar een zachten fchoot,

Ter koestring toebereid! —

■ - & ',Q De Borst, door mijne komst vervuld,

Wierdt niet door mij gezoogt; Maar weêr tot "wellust opgehuld,

En liefdeloos gedroogt!

Dan 'k zwijg, en roem mijn Amfleldam,

Haar milde Burgerij, Die't geen' mijn Moeder wreed ontnam,

Weêr liefd'rijk fchonk aan mij! ■

God! die het tederst wichtje boord,

Wanneer het hulp'loos fchreit, Voer nu mijn jeugdig leeven voord, .1

Tot heil en zaligheid! Schenk mij een zuiver dankbaar hart, ■■

Gevoel'ge denkenskracht; Daar Gij mijn' Redder waart in fmart,'

En mij tot hiertoe bragt! •

J. H. Cz.

Sluiten