Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

928 E. J. T. a THUESSINK, GENEES-

ken der vogten, gebreken, welke uit een ontaarding der vogten, en dus niet als een gevolg der o-ebreken van,de vaste deelen, ontdaan.

Onder dezè gebreken der vogten wordt eerst gerekend een al te grote zamenhang derzei ven, een fpisfitudo of dikheid; en deze wordt wederom gezegd van driederlei aart te zyn, een dikheid uit ontfteking (fpisfitudo infiammatoria), uit flym (pituitofa) en uit zwarte gal (atrabilaria) voortfpruicende, en hier worden dan tegenovergefteld de verdunnende middelen of attenuantia.

Wy ontkennen geheel en al de eerfte ,. dewyl het uic de proeven van hewson blykt, dat 'er geen dikheid, maar wel een al te grote dunheid des bloeds in ontfteking plaats heeft, en dat dit gebrek geheel en al van een vermeerderde werking der vaten op het bloed afhangt (d).

De tweede, of flymagtige dikte der vogten, kan men geenzints ge.heel ontkennen ; zeker is het, dat in flymagtige geftellen, of die genen die een flets, traag vaatgeftel hebben, en welke een grote hoeveelheid flym, zo wel door de borst, als door fpuwing en afgang, lozen, ook doorgaans op het afgetapte bloed zig een flymkorst vertoont; dan ik geloof met dit alles, dat dit, hoewel een zeer wezentlyk ongemak, veelal uic een flapheid der vaten,

(d) Zie hewson de Natura fanguinis, ver fa *

S. van BE WïSfEKSSE.

Sluiten