Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

93Ö E. i T. a THUESSINK,' GENEES-

t ha, dat beide vallen in menfchen, die in hec midden' van hunnen leeftyd zyn, die hunne kragten niet verloren hebben, die goeden eetlust hadden, veel vleesch, vet, boter, en gegiste dranken gebruikten , die natuuriyk fterk en gezond waren, te voren geneigd tot ontftekingsziekten, dog die nü lediggangers geworden zyn, en zo veel beweging niet nemen, als hun lighaamsgeftel vordert. Dat de hypochondrie vooral valt in lange , beenige , zwarte of rosharige menfchen , met holle ogen, een droog hard vel, traage en volle pols, die een traage buiksontlasting hebben, en zelden dog in eenmaal veel water maken ; daar de peripneu* monia notha valt in menfchen, die een korten en dikken hals , dikken buik , blond hair, zagcen huid, uitpuilende ogen, een regelmatige en rasfe pols, vogtige handen hebben , en Herken drank gebruiken. Dat in beide de aambeijen , en jigt zeer gemeen zyn en verligring toebrengen, en dat pekagtige afgangen dikwyls deze ziekten wegnemen.

Uit het geen wy tot hier toe , van de verfchillende foort van dikheid der vogten gezegd hebben, blykt het, dac de verdunnende middelen naar den aart derzelve ook zeer verfchillende zyn moeten, hierom heeft men ze in verfcheiden onderdeelingen onderfcheiden. Namentlyk in zodanige, welke de vogten door water te verdelen verdunnen,en deze zouden vooral in de ontlteking*

aar-

Sluiten