Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i02ö E. j. T. a THUESSÏNK, GENEES-

veroorzaakt. Ik twyfele geenzints of de koffy il aan zeer volbloedige, zwartgallige, of uitgeceerde lighaamen nadelig ; dan of wel alle deze uitwerkingen niet veel meer van het warme water, dan van de kolfy afhangen, twyfele ik zeer.

Roet, (Fuligo.) vooral van gebrand houtheefc een fterken, doordringenden onaangenamen reuk, en fcherpen walglyken, bitteren fmaak. Het vlugge loogzout zo wel als de empyreumatifche olie maken, dac het roec een uitftekende krampftillende kragt heeft. Het is uit dien hoofde in alle onze Apotheeken ook als geneesmiddel aangenomen. Men bezigt het roet vooral in opftygingen. Cullen ondervond veel nut van het roet tot anderhalf dragme gegeven in krampagtige hoofdpynen. De Duicfchers gebruiken een tinctuur van roec in wyngeest van één tot zes oneen daags in de vliegende jigt, wanneer het een ruim zweet te weeg brengt; dog men moet wel zorgen , dat eerst de eerfte wegen gezuiverd zyn. Uitwendig is het roet reeds by de Ouden in pleisters gebezigd, om zo wel verzweeringen als gebrande wonden te genezen; dog men moet het roet nimmer geven in zeer gevoelige, volbloedige, en tot ontfteking hellende geftellen, dewyl het dan te veel prikkelt, en den aandrang des bloeds vermeerdert.

DER*

Sluiten