Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iï32 J. WÏLLEMSE, G. z., GENEES-

'er was geen wanfmaak in den mond, 's middags at zy "bifchuic in warme ongekookte zoetemelk geweekt, met fmaak: in den avond had zy: lloelde hoescwerd zachter en minder, de koorts weinig -'er 'bleef een maatig zweet en de nacht was vry rustig.

Den' zesden dag vond ik ze ongemeen verbeeterd, en reekende het zwaarfte der ziekte te boven te zyn. Ik veranderd^ niets. — Alles bleef dien dag gunltig. Maar den volgenden dag, den zevenden der ziekte, vond ik de tong meer bezet, en dezelve tekende een graauw befiag. Zy lustte geen eeten, en begon over hoofdpyn te klagen.

Ik liet de borstdrank met bet julapium A. verwisfelen, en een klysteer van gekarnde melk met honing en azyn zetten, waar door zy dunne, (tinkende feces ontlastte. De nacht was onrustig, en des morgens, zynde de agtfte dag, zeide zy, dat zy misfelyk was en reeds neigingen tot braaken had befpeurd. De tong was meer beflagen , en het graauwe op dezelve werd geelachtig.

Ondanks de geledene ziekte en de overblyffelen van dezelve, liet ik haar ééne drachme ipecacuanha in drie reizen, een kwartier na malkanderen gebruiken , en honingwater daar op drinken, toen zy walgingen begon te befpeuren. Zy braakte veel galachtig vocht uit, en zeide daardoor verligt te zyn van een band,dien zy onder de maag gevoeld, en waar over zy te vooren niet geklaagd had.

Het

Sluiten