Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

Van den Godsdienst.

nadenkt, wat waar, recht 'en eerfyk is, en naar hetzelve ft reeft, Phil. IV. vs. 8. en de Hem van zyn Ge weeten volgt, dat beet: wanneer hy zyne overtuiging volgt van dat geene, wat recht of onrecht is, Rom. II. vs. 14,1 T. erkennen en volbrengen, 't geen God vvelbehaaglyk is.

Vr. 2e. Hoe hebben de Menleken zich omtrent deeze Bekwaamheid, die God hun gaf, gedraagen ?

Antw. De Menfchen hebben deeze, hun van God verleende Bekwaamheid tot den Godsdienst deels in 't geheel niet gebruikt, ' deels gemisbruikt, en zyn daardoor rot Godvergeetenheid , Dwaalingen , Bygcloof en Godloosheden vervallen. Pf. XÏV. vs.-2, 3. Rom. I. vs. 23. 28. -32.

Vr. 23. Hoe is God daarom den Menfchen te hulpe gekomen ?

Antw. God is den Menfchen ten allen tyde door nadere Onderwyzingen te hulpe gekomen, opdat zy aan hem, die Hemel en Aèrdö gefchapen heeft, ook als aan hunnen Schepper en Weldoener gclooven, hun doen en ' lasten mar zy.ien wil inrichten, en hem door clankbaare liefde en vertrouwen vcrëeren.

Vr. 24. Waar vinden wy deeze nadere Onderwyzingen van God?

Antw. Wat God daarin onder een deel der $len]'chen en door Menfchen inzonderheid ouder het Volk van Israël gedaan heeft, is iu' de Heilige of Gödfyêe Schrift begrecpeu, die "ook de Bybel of Gods IVevrd-^ïiu^md wordt.

VAN

Sluiten