Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ld. Christelyke Leer van God.

XXX. vs. ii, 12. Pf. XXXIII. vs. 8 , 9. Pf. CXXI. vs. 2. Matth. X. vs. 28. Eph. III.

VS. 20, 21.

Vr. 51. Wat belyden wy daarom ook in het eerjle Artykel van het Chriflelyk Geloof?

Antw. Ik geloof in God, den Vader, den Alniagtigen Schepper des Memels en der Aarde.

.Vr. 52. WTaar door is verder de Schepper aller dingen boven alle zyne Schepzelen verheeven?

Antw. Daardoor, dat hy Alveetend is, dat is, alles, het voorleedene, tegenwoordige en toekomende op de' volmaaktlte wyze kent en das niet Hechts alle Lotgevallen, maar ook de geheimfte gedachten, begeerten, woorden en werken der Menfchen. 1 Joh. III, vs. 20. God kent alle dingen. H.br. IV. vs. 13. Geen Schepzcl.is voor hem (god) zichtbaar, maar alles bloot en ontdekt voor ■zyn" oogen. Pf. CXXXIX. vs.. 1 — 4.

Vr. 53. Waartoe moet ons deeze Leer van God den Alweetenden nnnfpooren?

Antw. Om zelfs ook in '| verborgen het kwaade te myden en het goede tè doen, cvby alles, wat ons overkomt, ons daarmede gerust te (lellen, dat Godweet, wat ons goed en nuttig is. 1 Pet. IJl. vs. 12. Hiob XXXIV.'vs. 21, 22. MatUfc.VI. vs. S. Um Vader weet, enz.

Vr. 54. Hoe wordt God genoemd, wyl hy alles weet en overal werkt? ■ Antw. O•"e^aHegmwoordlg. Hand. XVII. vs. 27, 28. God is niet verre van eenen iegelyk

OU"

Sluiten