Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

162 Fdn de bevordering der Chriftelyke, enz.

v/at——heb. Gal. III. vs. 26, 27. 1 Coiv XII. vs. 13. Joh. III. vs. 5. V zy dan, enz. Hand. Hjr. vs. 38. , enzf

Tit. III. vs. 5 J. God maakte ons zalig,

enz. 1 Pet. III. vs. 21. (De Doop) is het

verbond (eene plechtige belofte) met

£voor] God.

Vr. 345. Wie wierdt by de eerfte grondlegging des Chndendóras

Antw. De Doop wierdt by de cerne grondlegging van 't Chritïèndom aan zulke, vol•wasfenen verricht, die zich tot de aanneeming van hetzelve gewillig verklaarden.

Vr. 346. Wat volgt echter in 't algemeen voor ons Chriftenen daaruit?

Antw.. Daar de Doop tot de opneeming in de Chriftelyke Gemeente ingeïleld en door de Apoftelen en hunne Medehelpers verricht is, zo volgt daaruit 1.] dat ook de Kinderen der Chriftenen met recht gedoopt

worden. Mare. X. vs. 13 16. 2.] dat

de Doop eigenlyk maar door de beroepene Leeraars der gemeenten geschieden moet.

Vr. 347. Wat heeft men van den Doop te houden, die fchielyk en in geval van nood verricht wordt?

Antw. Zulk een Doop wordt flechts om <ler zwakken wil toegeftaan, die denzeiven tot gërustftelling over hunne pnderen begeeren; want, den Kinderen zelven kan het aan hunne Zaligheid niet fchaaden, wanneer zy Herven, eet ze van den wettigen Leeraar jgedoopt kunnen worden. Mare. XVI. vs. 16. Zie het vierde Boofdftuk van den Catechismus!

Sluiten