Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12 Over den Mensch.

Stelling 3.

Om hen in deeze gelukkigen toeftand te bewaaren , gaf God hun , behalven de zedenlyke wetten, die hy in hunne harten geprent hadt, nog zeker Heilig gebod, eigenaartig gefchikt, om hen geduurig te herinneren , dat 'er een Wezen boven hen was, het welk macht hadt, om hun te gebieden, en aan het welk zy gehoorzaamheid fchuldig waren. Gen: II, 16, 17.

St. 4.

Zich aan de verlokfelen der zinlykheid overgeevende, hebben zy dit gebod overtreeden. Gen: III, 6.

St. 5.

Hier door verlooren zy hunne onfchuld, zoo wel als de bewustheid van de Godlyke goedkeuring en vriendfchap. Gen: III, 8 —11. en zy werden van nu af aan den dood onderhevig, dien God hun, als de ftraffe van hunne overtreeding, gedreigd hadt. Gen: II, 17. III, 22—24.

Stel-

Sluiten