Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Natuur, III. Onderh. 47

füge handelgreepen uitvindt, meener. 's ménwy desgelyks de hand, die ze ter uit voogdy. voer brengt, niet uittefluiten. Het zal alleen zyn om eene bekwaame orde te houden , dat wy eene byzonderlyker aandacht verleenen aan het eene vermoogen, en vervolgens aan het andere, maar niet om ze onafhangklyk te maaken. Wy willen het geene, dat God zoo naauw vereenigd heeft, niet fcheiden.

Als wy in den arend roofzuchtige neigingen en eenen trek tot vleesch zien, •met klaauwen en eenen bek, bekwaam om zynen roof te vatten en aan ftukken te fcheuren, oordeelen wy met rcd.n, en zonder toevlugt te neemen tot de ontleedinge der inwendige werktuigen , dat des Scheppers voorneemen niet geweest is , dat die vogel zich zoude geneeren met kleine zaaden, waaraan zyne nebbe geen' vat heeft; of mee gras en kruiden, gelyk de gans, dewyl hy die vervaarlyke klaauwen niet daar-1 toe noodig had. Als wy in tegendeel de neigingen van den tortel en het cysje gade (laan, en hunne dunne pooten en weeke nebbe zien, verzekeren wy, zonder te vreezen dat wy ons zulleri

ver-

Sluiten