Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Natuur, III Onderh. 87

om hen hunnen honger met eenige -s Mamaatjes haver, of met het gras uwer weiden, te doen ftillen. Het paard zal de henne, krabbende in het ftroo, t welk onder zyne voeten ligt, met vreden laaten, en flaat geen begeerlyk oog op haar, fchoon zy eenige graantjes, die hem uit den mond gevallen zyn, oppikt. De koe, die door de zwaarte van haaren voet de wurmen uit de aarde doet kruipen, legt geene laagen voor den fpreeuw,die by haar komt loopen, en met zyn' kop vaardig indringt, ter verkryginge van den roof, dien hy zeli niet kan doen komen uit het verblyf, dat denzelven dekt. De lastdieren, die zich in onzen dienst afflooven, zyn ons even waardig, om de matigheid van den prys huns voedfels;en wy zouden hen, tot loon van hunnen arbeid, vruchteloos trachten te onthalen met keur van fpyzen: zy zouden 'er met verachunge van afloopen. Maar de mensch is nergens aan bepaald: en gelyk hy op zyne tong alle de fmaaken, die tusfchen de dieren verdeeld zyn, kan gewaarworden, heeft hy in zyne maag het vermogen om all«s, wat goed en voedzaam is, F 4 te

Sluiten