Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Natuur, VIII. Ottderh. 179

werking eensklaps voort van de harfencn 's Mewtot in de teenen der voeren? Hoe kunnen zy werken op eene wyze, zoo ftrydig met schaphw' het geene in alle weegkundige en tuigwerkelyke werkingen gefchiedt?

Men weet dat in alles, wat in evenwigt gebragt is, eene kleene kracht eene groote kan beweegen of verwinnen 5 maar de kleene kracht doorloopt fnellyk eene groote ruimte, terwyl de groote zich langzaam beweegt in eene zeer korte ruimte. De fnelheid wordt eene vereffening des gewigts. Een gewigt van vyftig ponden, aan den unfter gehangen, verheft zich naauwelyks een half duim, terwyl het pond, dat omtrent het einde van de roede des unfters hangt, eene ruimte van vyftig halve duimen, of vyfen-twintig heele duimen doorloopt. De hand des voermans zyne as, die door her breeken van een rad gevallen is, willende opbeuren, draait het handvatfel van de dommekracht twaalf en vyftien maal om, om de as een duim op te ligten. Overal elders doorloopt de bewogen kracht, in gélyken tyd, zoo veele ruimte als de beweegende kracht: men maakt ze in alles gelyk. Wil men, by voorM 2 beeld,

Sluiten