Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Natuur, VIII. Ouderh. 191

dikke duisternisfen zoude laaten , of "s Men. hem zelfs van doolinge tot doolinge ^H|£ brengen. schappy*

In den mensch is eene onweetendheid, die fchandelyk voor hem is; te weeten, die van zyne pligten. Zy is gewillig, zondig en fomtyds zelfs ftrafbaar. Daar is eene andere, welker hy zich niet behoeft te fchaamen: zy beftaat in de paaien, die God aan 's menfchen verftand gefteld heeft: en vermits zy hem helpt om zich in zynen ftaat te befluiten, is zy veeleer een gefchenk dan een reden van klagte.

Maar indien het een jammerlyk vergryp is te klaagen over de zwakheid des menfchelyken verftands, als of zy het werk van een kwaadaardig beginfel of van een' vyandlyken God ware, is het desgelyks een niet minder ongelukkig vergryp, dat verftand, die reden, wier paaien zoo zichtbaar zyn, het vermogen toe te fchryven, om van alles te oordeelen en over alles te beflisfen. Ons verftand vindt natuurlyker wyze 'm zich zeiven de beginfels eener billyke nieuwsgierigheid, met de beweegredenen eener wyze ingetoogenheid.

Hoe

Sluiten