Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Natuur, XIII.Ondcfh. 383

zyde en de overige hoeken te weeten 5 De maaWtmt als men eenen hoek en de lengte TEMi van twee zyden weet, dan weet men het punt des omtreks, waaruit twee zyden voortkomen, en de heide andere punten, waar die zyde in den cirkel in uitloopen. Dan kent meh de drie begeerde punten, volgens het 131 voorftel; dan weet men de grootte der drie boogen : maar de boog, tegen den bekenden hoek over, meet u de pees of de zyde, die u nog overig was te weeten; en de beide zyden, welker lengte gy Wist, zyn de peezen en maaten der boogen, welkers helften u behulpzaam zyn, om de grootte der twee hoeken, Welke gy zocht, te bepaalen. Gy weet derhalve den ganfehen driehoek.

145. Het is desgelyks genoeg, eene 2yde en twee hoeken te kennen, om den ganfehen driehoek te wceten. Die bekende zyde geeft u, door haare uiterfte einden, twee der begeerde punten. Gy weet nog niet waar het derde is, noch van hoe veele graaden de boog is, waar van deeze eerfte zyde de pees Zal zyn; maar gy zult het terftond weeten. Dekennis, welke gy hebt van twee

hoe-

Sluiten