Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

38 W A NS P O E QJ G E GEVOLGEN lindeboom bragt ons melk en brood; en, haare handen ten hemel heffende, voer zy dus voord te fpreeken.

6 Myne Heeren! kan wel iemant ter waereld ongelukkiger zyn dan ik? Gy hebt myn' vader gezien, dien goeden , vroomen — dien eerwaerdigen gryzaard, Hy is zulk een goed znlk een tedergevoelig vader ! Dikwyls nam hy my, onder dezen ftaatelyken lindeboom, op zynen fchoot, en bragt my, by het daluw blinken der maan, myne moeder, die reeds voorlang is geftorven, te binuen. Dan zeide hy, Mailchen, wy zyn onze moeder kwyt en met haar heb ik den flut mynesouderdomsverlooren. God echter, heeft my u nog gelaaten, en gy zult toch niet wreed genoeg zyn, om uwen ouden vader te begeeven. Dit zeggende , weende hy — ik Hortte traanen met hem, en beloofde, dat ik hem nooit zou ver. laaten — ik zwoer hem kinderlyke liefde. Niemand vernam onze zuchten, de ftille natuur alleen, die rondom ons, in diepe fluimering lag bedolven, en de grasmusch wakker geworden , by wylen, en haar nest in den lindeboom hebbende , hoorden onze zuchten .... Maar ó myne voorneemens waar zyt gy ? Ware

Sluiten