Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ERAST. 199

ven over de daaden der menfchen -— over recht cn onrecht , en niet over den inborst, het character , of bedieningen der menfchen. Ik maak, ter dezer heilige plaatfe , geen 011derfcheid tusfehen graave en boer. Tusfchen aanklaager , en hem, die aangeklaagd wordt, moet ik befiisfen; en,uit dien hoofde,verwyze ik , zonder op den perfoon zelve acht te geeven, den geenen, wiens zaak ik onrechtvaer* dig oordeele,

Erast ontroert, op het hooren dezer tegenfpraake , en zyn geweeten doet hem heimelyk verwytingen. Gy veroordeelt, roept het,uit vreeze voor menfchen , eenen ongelukkigen! — De gedachten alleen, wat hem de graaf « wat hem de minister zou kunnen berokkenen, verfmoort de heldere ftem der rechtvaardigheid in zyn harte.

Ondertusfehen verloor de arme man het geding , dat hy met den graave hadt ó Gy,

die gevoelige harten hebt ■—— zoudt gy hier over verbaasd ftaan! Dat vroomen en fnooden over hunne daaden het lot wierpen, en zoudt gy het eene billyke uitwyzing des lots noemen, wanneer de rechtvaerdige zyne zaake verloor? Twee oogen min of meer op de fteenen , beN 4 flis-

Sluiten