Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UIT ONECHT. 207

rigea, fchryft men zo veel over verdraagzaamheid , en fpot met bygeloovigheid , die toenmaals den Godsdienst befmetten ; en wie zou dan deze vastftelling nog vermoeden kunnen, dat wy onverdraagzaamen en vervolgers zyn? Broeder ftaat nu nog tegen broeder op en vervolgt hem niet uit godsdienftige beginfe-

len neen , goede God ! tot fchande der

menschheid men vervolgt eikanderen om

beufelaryen en ydelheid. ó Dat wyonze

fpoorloosheden vergaten en weder broeders en menfchen mogten worden!

Alzo dachten Adelfon en Rofenau. Zy waren vrienden, en hunne vriendfchap ontftondt uit het beginfel. om medemenfchen , waar zy zouden vermogen, te helpen.

Adelfon hadt eene onopfpraakelyke opvoeding genooten. Dit, niettegenftaande , befoedelde eene enkele misdaad, die den overigen tyd zynes leevens voor hem vergiftigde , zyne bloeiendfte jaaren. Vriend Rofenau, zeide hy in eene byeenkomst, myn geweeten brengt my eene misdaad myner jeugd, die my zeer veele angstvallige oogenblikken veroorzaakt, te binnen. Ik hadt den ouderdom van vierentwintig jaaren nog niet bereikt, en gereed, om eenen

(tand

Sluiten