Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORREDE, xxvii

, De deugd vordert eene gelaatenheid van ziel, die met een foort van achteloosheid is vereenigd. Het betaamt ons, onze plichten te volbrengen, 't zy wy met vriend of vyand - met luiden, die ons lief hebben of veronachtzaamen te doen hebben. Zo ons iemant, door fchade of fchande benadeelt, zou ons dat van onze verplichting, om hem in diervoege , als wy onzen evenmensch, volgens Goddelyke inftelling, fchuldig zyn, te behandelen, ontflaan ? Helaas! wy zouden ons, zo wy ons daar van ontflagen achtteden, tot den peilzyner boosheid trekken, of, veeleer, nogzondiger dan hy, maaken. Wy moeten onzen plicht doen, fchoon die anderen, ten onzen aanzien, verwaaiioozcn. Zodanig moet de gelaatenheid onzer ziel zyn, terwyl derzelver achteloosheid in die geftalte, waardoor zy beveiligd wordt,. om door loftuiting te warm, en door verfmaading of mishandeling te yverig te worden, beftaan moet. In het een en ander opzicht is het oneindig beter,den een of anderen kwalykgezinden dan de deugd tot vyand te hebben, en veel voordeeliger,zonder verwachting beloond', als, vol winderige verbeelding van het verdienstelyke onzer bedryven, in 't geen wy dienaangaande ter belooning te gemoet zien, bedroogen te worden.

Niets is voor ons gevaarelyker, dan op den weg der Godzaligheid ftil te ftaan, of te vreden te willen zyn, wanneer wy alleenelyk, nu en dan, een «■ . ftap

Sluiten