Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURSPEL.

15

Richard. Noem haar naam — noem haar naam toch... Myn vermoeden... myn hart... alles bezwaart my.... tiaar naam Dorval?

Dorval, (driftig en met ontroering.}

Lucia.

Richard. Almachtige!... Uwe zuster! Dorval!...

Dorval. Ja myne zuster... Zy is het voorwerp myner vervloekte driften.... Zie hier nu een gedrocht voor uwe oogen, dat gereed ftaat, om door den donder des Hemels te worden verpletterd... G y verftomt Gy wringt uwe handen!.. Nu nieuwsgierige vriend— onfchuldig nieuwsgierige vriend echter!... Nu!... Ik heb u doen roepen... Ik had u ietgewigtigs te zeggen... Ik wilde het zwygen... gy begeerde het te weeten... nu weet gy het... ö Richard!...

(nederknielende, terwyl Richard hem niet fchynt te hooren.)

Eerwaerdige — deugd-

zaame gehoonde gryzaard!.. Ben ik nog waer-

dig, voor u neder te knielen?.. Erberm u myner! Erberm u eenes ellendigen, over wiens hoofd de zon dezen morgen, mogelyk, voor het allerlaatfte heeft mogen opgaan. Myn hart is zyn eigen flachtoffer... Myne driften zyn de beulen myner redelyke natuur... Ik ben rampzalig—■ rampzaliger, dan iemant geweest is, of zyn kan. Smoor, ó myn Richard, fmoor debelydenismyner gruwelyke hartstocht in uwen onfchuldigen boezem! Laat toch nie-

mant

Sluiten