Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEELSPEL. 163

Dorcas. Ik wenfchte wel, dat ik dien brief niet had hooren leezen ... Wie zou die van Fredrik gedacht hebben ? Zo befcheiden — zo oprecht fchynende man! . . Zo ik u dien brief niet uit zyn zak had zien neemen, ik zou hem nog voor verdicht houden. Fredrik trouweloos, ten minften, naar allen fchyn, ontbooden , om het zo daadelyk te worden als hy het nu mogelyk reeds in zyn hart is! Ik begin deernis met u te krygen. Lieve God! zyn de menfchen zo weinig te betrouwen ? Tot op den grond van myn hart ben ik beroerd. Wie mag de ligtvaerdige zyn, die hem aanzoekt?

(Haare oogen in den brief ftaande, die Juliana in de band houdt J) Zy fchryft te juin; voor een landmeisje.

Juliana. Ja, ja, een landmeisje, die een adelyk landgoed bewoont. . . Die fyreen! Laat ze my het eigendom laaten, dat my, door de fterkfte eeden, verpand is .. . Zie nu hier aan Dorcas, of myn vermoeden omtrent de dochter van onzen naaften buurman zo ver moet worden verworpen . . . Gy moet my helpen , of ik zal, met allen geweld , alleen tegens dien ftroom oproeien.

Dorcas. Wat wilt gy van my hebben ?... Gy moeft u, dunkt my, poogen te bedaaren — dien ftorm laaten over-

waijen toegeevend zyn u zelve verloche-

nen — op beterfchap hoopen ... Ik weet

L % ze.

Sluiten